Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/11172
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning familie en gezin

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 24 juni 2024, waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het doel 'familie en gezin' is afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen als er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is. Op 30 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard en verzoeker heeft geen beroep ingesteld. Hierdoor ontbreekt de vereiste connexiteit.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11172

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak van

[verzoeker] , V-nummer [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.D. Banet),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Inleiding

1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 24 juni 2024 waarbij zijn aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘familie en gezin’ is afgewezen.
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het bezwaar is beslist.
3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [2] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Overwegingen

4. Alleen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen.
5. Op 30 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen zijn besluit van 24 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft daartegen geen beroep ingesteld. Daarom is er niet langer sprake van de vereiste connexiteit. [3]

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.