Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 24 juni 2024, waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het doel 'familie en gezin' is afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter stelt vast dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen als er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is. Op 30 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard en verzoeker heeft geen beroep ingesteld. Hierdoor ontbreekt de vereiste connexiteit.
Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.