Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
24/1593
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende rekening met beperkingen

Eiseres werd door verweerder de WIA-uitkering geweigerd op basis van medische rapporten. Na bezwaar en beroep benoemde de rechtbank een onafhankelijke verzekeringsarts die de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aanpaste. Hoewel de FML tijdens de beroepsprocedure werd gewijzigd, bleef het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd.

Eiseres voerde diverse medische klachten aan, waaronder een eetstoornis, artrose, depressie, astma en medicijngebruik. Verweerder stelde dat deze klachten reeds waren beoordeeld en dat er geen nieuwe feiten waren. De onafhankelijke deskundige concludeerde dat de FML moest worden aangepast, met ruime beperkingen in dynamische en statische houdingen en mentale belastbaarheid.

De rechtbank volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat de wijziging van de FML tijdens de procedure het besluit in strijd met de Awb tot stand bracht. Desondanks bleef het arbeidsongeschiktheidspercentage gelijk, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit gehandhaafd werden. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens strijdigheid met de Awb, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1593

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

gemachtigde: mr. H. Polat,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder
gemachtigde: mr. T. Eversteijn.

Inleiding

1. In het primaire besluit van 26 juni 2023 heeft verweerder bepaald dat eiseres geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Dit besluit is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.
1.1.
In het bestreden besluit van 12 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&) en de arbeidsdeskundige b&b.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 november 2024 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de verzekeringsarts drs. P.J.A. Colsen als onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank heeft het rapport op 5 maart 2025 ontvangen. Partijen hebben op het deskundigenrapport gereageerd.
1.5.
Nadat geen van partijen te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Gronden van eiseres
2. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten en beperkingen. Eiseres kampt met een eetstoornis, erkend als een verslavingsachtige aandoening die zich uit in dwangmatige gedragingen rond voedselinname, vasten en lichaamsbeweging, met ernstige negatieve gevolgen voor haar gezondheid. Eiseres lijdt aan artrose in de knieën en onderrug. Eiseres ervaart continue lage rugpijn, die verergert bij elke vorm van fysieke activiteit of zelfs basale bewegingen, en gaat gepaard met symptomen als pijn, tintelingen en zwakte in de onderste ledematen. Eiseres blijft kwetsbaar voor recidiverende somberheidsklachten. Zij is ook weer in behandeling bij de GZ-psycholoog. Eiseres lijdt aan depressie. Ook heeft zij de chronische aandoening astma. Voorts heeft eiseres te kampen met eczeem en hooikoorts. Eiseres voert tevens aan dat zij voetoperaties achter de rug heeft. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij quitiapine en temazepam gebruikt.
Standpunt van verweerder
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres dezelfde gronden als in bezwaar aanvoert. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Eiseres heeft aangevoerd dat zij kampt met een recidief slaapstoornis en een eetstoornis door het slaaptekort, maar deze melding is ruim na de datum in geding. Eiseres heeft astma, eczeem en hooikoorts niet eerder ter sprake gebracht bij beide verzekeringsartsen. Verder stelt verweerder dat er ruime beperkingen zijn genomen bij het staan, lopen, zitten etc.
Deskundigenoordeel
4. De rechtbank heeft aanleiding gezien om verzekeringsarts drs. P.J.A. Colsen als onafhankelijke deskundige te benoemen. Hij komt tot de conclusie dat er aanleiding is de Functionele Mogelijkhedenlijst van 9 juni 2023 bij te stellen.
4.1.
In reactie op het deskundigenrapport voert eiseres aan dat ten onrechte is aangenomen dat eiseres tot maximaal acht uur per dag en veertig uur per week kan werken. Eiseres voert eveneens aan dat een houdingsbeperking dient te worden aangenomen. Deze klachten zijn fors en hebben aantoonbare impact op haar dagelijks functioneren.
4.2.
Verweerder geeft in reactie op het deskundigenrapport aan dat de verzekeringsarts b&b alle beperkingen die zijn vastgesteld door de deskundige, heeft overgenomen en opgenomen in een gewijzigde FML.
4.3.
Colsen heeft op 8 april 2025 gereageerd op de gronden van eiseres. Colsen geeft aan dat abusievelijk vastgesteld is dat eiseres ‘gemiddeld’ in plaats van ‘maximaal’ acht uur per dag en veertig uur per week belastbaar geacht wordt. Eiseres is aangewezen op regelmatige werktijden met ruimte om eigen rustmomenten in te nemen. Hij heeft de FML bijgesteld op 30 april 2024. Volgens Colsen zijn in de FML ruime beperkingen aangenomen in de dynamische handelingen en de statische houdingen vanwege de lichamelijke klachten.
4.4.
Hierop hebben partijen weer gereageerd. In het schrijven van 15 mei 2025 stelt verweerder dat in de FML van de verzekeringsarts b&b d.d. 17 maart 2025 is opgenomen dat eiseres ‘maximaal’ acht uur per dag en veertig uur per week kan werken. In haar reactie van 24 juni 2025 voert eiseres aan dat de urenbeperking in feite geen beperking oplevert ten opzichte van gangbare arbeid, omdat deze het reguliere wettelijk arbeidsduurstelsel betreft. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de volgende aspecten: (1) de noodzaak tot zelf in te delen rustmomenten, (2) de beperkingen op het gebied van fysieke belasting en houdingen, en (3) de mentale belastbaarheid, waaronder concentratie, tempo en taakstructuur.
Beoordeling door de rechtbank
5. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijk deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk de taak van de onafhankelijke deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een beslissend advies te geven. De rechtbank overweegt dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft eiseres gezien op een spreekuur en heeft dossierstudie verricht. Ook heeft de deskundige haar conclusie inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de conclusie van de deskundige niet te volgen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Colsen voldoende rekening gehouden met de beperkingen op het gebied van fysieke belasting en houdingen. Colsen heeft in zijn onderzoek ruime beperkingen aangenomen bij de rubrieken dynamische en statische houdingen. De rechtbank overweegtdat eiseres verder niet heeft toegelicht waarom en met welke medische stukken Colsen geen rekening heeft gehouden. Ook is de rechtbank van oordeel dat Colsen voldoende rekening heeft gehouden met de mentale belastbaarheid van eiseres, waaronder concentratie, tempo en taakstructuur. Vanwege de dyslexie heeft Colsen eiseres beperkt geacht voor schrijven, deadlines en productiepieken. Volgens Colsen kan eiseres alleen bekende taken uitvoeren omdat zij moeizaam nieuwe dan wel onbekende instructies tot zich kan nemen. Door de verzekeringsarts b&b was al aangenomen dat eiseres beperkt dient te worden geacht voor wisselende taakomstandigheden, storingen, deadlines, lezen langdurig, emotionele problemen van anderen hanteren, conflicten, intensief klant/patiëntcontacten en leiding geven in verband met onder andere de posttraumatische stress stoornis en dyslexie-klachten. Wat betreft het betoog over de urenbeperking, oordeelt de rechtbank als volgt. Colsen heeft – zoals door de verzekeringsarts b&b ook overgenomen – eiseres aangewezen op regelmatige werktijden waarbij zij haar eigen rustmomenten moet kunnen bepalen. Zij mag maximaal 8 uur per dag en 40 uur per week werken. Eerder had de verzekeringsarts b&b eiseres al wel beperkt geacht voor avond- en nachtdiensten. Ook hierover heeft eiseres geen nadere medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat een verdergaande urenbeperking dient te worden aangenomen.
6.1.
Wat betreft de medicijnen, stelt de rechtbank vast dat quetiapine door de verzekeringsartsen is meegenomen in hun onderzoek. De rechtbank merkt wel op dat het medicijn temazepam pas op 13 maart 2024 is voorgeschreven. Dit is zoals verweerder terecht heeft aangegeven, na datum in geding.
7. De arbeidsdeskundige b&b heeft na het aanpassen van de FML drie van de vier functies passend geacht. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de geduide functies. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om de arbeidsdeskundige beoordeling onjuist te achten.

Conclusie en gevolgen

8. Nu verweerder de FML tijdens de beroepsprocedure heeft gewijzigd, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en Pro 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. Het beroep is daarom gegrond. Omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres ongewijzigd is gebleven, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag van het deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.