Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7243

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL25.42131
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382artikel 11 RTB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Eiser verzocht de minister van Asiel en Migratie om vaststelling van verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister wees dit verzoek bij besluit van 20 mei 2025 af, waarna eiser bezwaar maakte. Dit bezwaar werd bij besluit van 28 augustus 2025 eveneens afgewezen.

De rechtbank Den Haag beoordeelde het beroep zonder zitting en stelde vast dat eiser geen tijdelijke bescherming geniet in een andere EU-lidstaat, waardoor artikel 11 van Pro de RTB niet van toepassing is. Eiser voerde geen inhoudelijke gronden aan die het standpunt van de minister konden weerleggen dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming.

De rechtbank concludeerde dat het enkele feit dat eiser bescherming in Nederland aanvraagt en geen bescherming in een andere lidstaat geniet, geen grond is om tijdelijke bescherming toe te kennen. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van tijdelijke bescherming wordt kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42131

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

1.1.
Eiser heeft verweerder verzocht om vast te stellen dat hij verblijfsrecht (tijdelijke bescherming) op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) [1] heeft.
1.2.
Verweerder heeft bij besluit van 20 mei 2025 vastgesteld dat eiser niet onder de RTB valt en daarom niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de RTB. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het besluit van 20 mei 2025 gebleven.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat artikel 11 van Pro de RTB buiten toepassing is gesteld in paragraaf 15 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 en dat er daarom geen reden is om hem tijdelijke bescherming te onthouden.
2.1.
Tussen partijen staat vast dat eiser geen tijdelijke bescherming in een EU lidstaat geniet. Om die reden is artikel 11 van Pro de RTB zoals verweerder in het bestreden besluit uiteengezet heeft, niet relevant voor de situatie van eiser.
2.2.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de RTB om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming. Verweerder wijst er in het bestreden besluit bovendien terecht op dat de enkele omstandigheid dat eiser bescherming in Nederland heeft aangevraagd en hij geen tijdelijke bescherming geniet in een andere lidstaat, geen reden is om eiser tijdelijke bescherming te verlenen. Dit maakt immers niet dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming.
2.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.