Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.3885 en NL26.3886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 2 DublinverordeningArt. 17 lid 1 DublinverordeningVreemdelingenwet 2000Europees Verdrag voor de Rechten van de MensHandvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres, een Mongoolse asielzoekster, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland, maar de minister van Asiel en Migratie nam haar aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat Duitsland als verantwoordelijke lidstaat wordt beschouwd. De rechtbank beoordeelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is op Duitsland, gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiseres had onvoldoende onderbouwd dat Duitsland tekortschiet in opvang of bescherming tegen rechtsextremistisch geweld, noch dat haar gezondheidssituatie zodanig ernstig is dat overdracht aan Duitsland onmenselijke behandeling zou opleveren.

Het beroep op het C.K.-arrest, dat bescherming biedt tegen overdracht bij ernstige verslechtering van de gezondheid, werd verworpen omdat eiseres geen medische documenten overlegd had die haar stellingen ondersteunen. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat Nederland toelaat de aanvraag zelf te behandelen bij bijzondere omstandigheden, werd afgewezen omdat de minister aannemelijk maakte dat Duitsland adequaat kan voorzien in de zorg en bescherming.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit van de minister en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.3885 (beroep)
NL26.3886 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Mongolische nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna te noemen: de minister

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Procesverloop

1. Bij besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Op dezelfde datum heeft de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres ontvangen.
1.1.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, mevrouw S. Surenjav als tolk in de Mongoolse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

4. Eiseres heeft op 19 oktober 2025 Mongolië verlaten en is via Turkije op
27 oktober 2025 Nederland ingereisd. Zij heeft op 31 oktober 2025 haar asielaanvraag in Nederland ingediend.
Besluitvorming
5. Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening [2] . Uit EU-VIS blijkt dat Duitsland een visum heeft verstrekt aan eiseres dat geldig was van
25 september 2025 tot en met 24 december 2025. Volgens de minister kan ten aanzien van Duitsland uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat eiseres naar voren heeft gebracht dat de personen met wie zij problemen heeft in Mongolië haar in Duitsland kunnen vinden, omdat zij is gereisd met een Duits visum, doet hier volgens de minister niet aan af. Dat eiseres suikerziekte heeft en dat het mentaal niet goed met haar gaat, maakt volgens de minister ook niet dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiseres heeft deze problemen namelijk niet onderbouwd met documenten die zijn opgesteld door een arts en waaruit blijkt dat alleen Nederland eiseres kan behandelen. Haar beroep op het C.K.-arrest. [3] slaagt volgens de minister niet. De minister ziet zich ook niet gehouden om de asielaanvraag zelf te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Op de zitting heeft eiseres erop gewezen dat Duitsland er niet in slaagt om voldoende opvang te bieden aan asielzoekers of om bescherming te bieden tegen rechtsextremistisch geweld. Ook vreest eiseres dat de Duitse autoriteiten haar geen bescherming kunnen bieden tegen de hoge functionarissen uit Mongolië voor wie zij vreest.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het Duitse asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiseres bij overdacht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest [5] . De Afdeling [6] heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [7] geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Dit standpunt is meermaals en voor het laatst op 14 februari 2025 door de Afdeling bevestigd. [8] Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van deze jurisprudentie af te wijken. Op basis van de niet onderbouwde stelling van eiseres op zitting dat er onvoldoende opvang en onvoldoende bescherming tegen rechtsextremistisch geweld is in Duitsland, kan niet worden geconcludeerd dat Duitsland zich niet aan haar internationale verplichtingen houdt. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiseres de Duitse overheid kan vragen om haar te beschermen tegen de hoge functionarissen uit Mongolië voor wie zij vreest. De beroepsgrond slaagt niet.
C.K.-arrest
7. Eiseres meent daarnaast dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte haar beroep op het C.K.-arrest [9] heeft verworpen. Eiseres heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat haar herbelevingen zullen toenemen na een overdracht aan Duitsland. Deze herbelevingen zien op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in haar land van herkomst, maar eiseres is bang dat de personen voor wie zij vreest haar in Duitsland terug kunnen vinden. Eiseres geeft aan dat haar herbelevingen daarom zullen toenemen na een overdracht aan Duitsland, en dat dit een ernstige verslechtering van haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overdracht niet in strijd is met het C.K-arrest. Uit dit arrest volgt dat een Dublinoverdracht een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich mee kan brengen als de overdracht een ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van een vreemdeling tot gevolg zal hebben. [10] Het is allereerst aan de vreemdeling om de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en de aanzienlijke gevolgen van de overdracht aannemelijk te maken. Eiseres heeft aangegeven dat zij suikerziekte heeft waarvoor zij metformir gebruikt en dat het psychisch niet goed gaat met haar gaat. Eiseres heeft echter geen documenten overgelegd waarin wordt ingegaan op de gevolgen van de Dublinoverdracht voor haar medische en/of psychische gezondheidssituatie. De minister heeft in de stelling van eiseres dat haar herbelevingen zullen toenemen bij overdracht aan Duitsland dan ook geen aanleiding hoeven zien om een BMA [11] -onderzoek op te starten. [12] De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat Duitsland beschikt over een aan Nederland gelijkwaardig niveau van medische zorg. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
8. Eiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, Dublinverordening zelf had moeten behandelen. De minister heeft volgens eiseres nagelaten om te beoordelen of de combinatie van de omstandigheid dat Mongoolse functionarissen haar in Duitsland kunnen vinden en de omstandigheid dat zij medische en psychische zorg nodig heeft dienen te leiden tot toepassing van artikel 17.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. In het bestreden besluit is de minister ingegaan op de vrees van eiseres dat hoge, invloedrijke functionarissen uit Mongolië eiseres zouden kunnen terugvinden in Duitsland, omdat zij met een Duits visum naar de Europese Unie is gereisd. Daarnaast is de minister in het besluit ingegaan op de gezondheidssituatie van eiseres. Dat in het bestreden besluit is aangegeven dat deze omstandigheden ‘
op zichzelf niet genoeg’ zijn voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, heeft de minister op zitting verduidelijkt. Op zitting is aangegeven dat beide omstandigheden, zowel de vrees voor de Mongoolse functionarissen als de gezondheidssituatie van eiseres, samen betrokken zijn bij de beoordeling of sprake is van omstandigheden die maken dat sprake is van onevenredige hardheid bij een overdracht aan Duitsland. De minister heeft hier ook bij betrokken dat eiseres niet heeft onderbouwd dat Duitsland haar niet met deze problemen kan helpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag in stand blijft.
10. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiseres is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.3885:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.3886:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
4.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.ECLI:NL:RVS:2025:588. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
10.Idem.
11.Bureau Medische Advisering.
12.Werkinstructie 2021/3 ‘BMA-advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.’.