Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. K. Mertens, griffier
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, een Eritrese vreemdeling, diende op 9 oktober 2025 een aanvraag in voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag werd op 3 november 2025 afgewezen, waarna zij bezwaar maakte tegen dit besluit. Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en haar verblijf in Nederland en opvang bij het COA te continueren.
De voorzieningenrechter constateerde dat verzoekster een spoedeisend belang had, omdat het COA haar recht op verstrekkingen per 10 maart 2026 zou beëindigen, wat betekende dat zij de opvanglocatie moest verlaten. De minister verzette zich niet tegen het voorkomen van uitzetting gedurende de bezwaarprocedure, maar betwistte de voortzetting van de verstrekkingen vanwege het ontbreken van materiële connexiteit met het bezwaar.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het voorkomen van uitzetting en het voortzetten van opvang onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoekster haar bezwaar in Nederland mag afwachten en recht houdt op opvang en verstrekkingen tot vier weken na beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.
Uitkomst: Verzoekster mag haar bezwaar tegen afwijzing uitstel van vertrek in Nederland afwachten en behoudt recht op opvang en verstrekkingen tot vier weken na beslissing op bezwaar.