Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL25.62352
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRegeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en voortzetting opvang vreemdeling

Verzoekster, een Eritrese vreemdeling, diende op 9 oktober 2025 een aanvraag in voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag werd op 3 november 2025 afgewezen, waarna zij bezwaar maakte tegen dit besluit. Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en haar verblijf in Nederland en opvang bij het COA te continueren.

De voorzieningenrechter constateerde dat verzoekster een spoedeisend belang had, omdat het COA haar recht op verstrekkingen per 10 maart 2026 zou beëindigen, wat betekende dat zij de opvanglocatie moest verlaten. De minister verzette zich niet tegen het voorkomen van uitzetting gedurende de bezwaarprocedure, maar betwistte de voortzetting van de verstrekkingen vanwege het ontbreken van materiële connexiteit met het bezwaar.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het voorkomen van uitzetting en het voortzetten van opvang onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoekster haar bezwaar in Nederland mag afwachten en recht houdt op opvang en verstrekkingen tot vier weken na beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Verzoekster mag haar bezwaar tegen afwijzing uitstel van vertrek in Nederland afwachten en behoudt recht op opvang en verstrekkingen tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.62352
[v nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1974, van Eritrese nationaliteit, verzoekster,
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft op 9 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw [1] . Deze aanvraag is bij besluit van 3 november 2025 afgewezen.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag in Nederland en in de opvang van het COA [2] mag afwachten.
1.2.
Op 3 maart 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om met spoed op haar verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen omdat het COA heeft meegedeeld dat haar recht op verstrekkingen op grond van de Rva [3] op 10 maart 2026 zal worden beëindigd. Dit betekent ook dat verzoekster op deze datum de COA-locatie moet verlaten.
1.3.
Op 5 maart 2026 heeft de minister op verzoek van de voorzieningenrechter een verweerschrift ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb [4] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Ten aanzien van het griffierecht
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
Ten aanzien van het verzoek
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening. Bij brief van 3 maart 2026 heeft het COA verzoekster meegedeeld dat haar recht op verstrekkingen op grond van de Rva op 10 maart 2026 zal worden beëindigd. Dit betekent ook dat verzoekster op deze datum de COA-locatie moet verlaten.
5. De minister heeft in het verweerschrift meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht op het voorkomen van uitzetting van verzoekster hangende haar bezwaar gezien het feit dat de minister bij brief van 3 maart 2026 het BMA [5] heeft verzocht om nader advies uit te brengen. Mede onder verwijzing naar een uitspraak [6] van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 12 april 2023 stelt de minister zich verder op het standpunt dat het verzoek om de Rva-verstrekkingen te continueren moet worden afgewezen omdat de op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vereiste materiële connexiteit met het bezwaarschrift daarvoor ontbreekt. Het bezwaar van 3 november 2025 is immers gericht tegen de afwijzing van het verlenen van uitstel van vertrek en niet tegen het beëindigen van de Rva-verstrekkingen.
6. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen heeft omdat uit de informatie van de behandelaars alsmede het BMA zelf blijkt dat thans zeer wel mogelijk aanleiding bestaat voor de conclusie dat zij bij het uitblijven van medische behandeling wel in een medische noodsituatie terecht zal komen en/of niet in staat is te reizen. In dat geval voldoet verzoekster aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 64 van Pro het Vw.
7. Omdat de minister gelet op het verweerschrift zich niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht op het voorkomen van uitzetting van verzoekster hangende haar bezwaar, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Omdat verzoekster hierdoor feitelijk in Nederland mag blijven en de verdere behandeling van haar aanvraag af mag wachten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister gehouden is om verzoekster tegelijkertijd ook opvang aan te bieden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beiden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dit betekent dat zij niet uit de opvanglocatie van het COA kan worden gezet tot op het bezwaar is beslist. De verwijzing van de minister naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 12 april 2023 doet hier niet aan af.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in de zin dat verzoekster haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag in Nederland mag afwachten. Ook moet verzoekster toegang verkrijgen tot de eerder door het COA aan haar verleende verstrekkingen, waaronder de opvang in een locatie van het COA, en deze moeten worden voortgezet tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoekster haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag in Nederland mag afwachten, en toegang moet verkrijgen tot de eerder aan haar verleende verstrekkingen, waaronder de opvang in een locatie van het COA, en dat deze moet worden voortgezet tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; en,
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. K. Mertens, griffier
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Bureau Medische Advisering.