Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL24.51161
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:72 AwbVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering afwijzing herzieningsverzoek verblijfsvergunning humanitaire gronden

Eiseres, met de Indonesische nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid, die werd ingetrokken na beëindiging van haar relatie. Zij vroeg een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden aan wegens huiselijk geweld, maar dit werd afgewezen. Een strafvonnis uit 2022 verklaarde aanranding bewezen, wat een nieuw feit vormt.

De rechtbank oordeelt dat verweerder dit strafvonnis onvoldoende heeft betrokken bij de afwijzing van het verzoek om herziening van het eerdere besluit. De motivering van verweerder is onvoldoende omdat niet alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang zijn beoordeeld.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van het herzieningsverzoek betreft en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de afwijzing van het herzieningsverzoek betreft; verweerder moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51161
[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.A. Besselsen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om herziening van de afwijzing van een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Deze uitspraak gaat verder over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een
EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, dan wel een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden en de intrekking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanaf 1 juli 2023. Eiseres is het niet eens met deze afwijzingen en zij heeft meerdere beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van het verzoek om herziening niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van eiseres is dus gegrond. Dit betekent niet dat eiseres de door haar gewenste verblijfsvergunning krijgt. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1976 en heeft de Indonesische nationaliteit.
2.2.
Eiseres had vanaf 6 juni 2015 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] . Deze verblijfsvergunning zou geldig zijn tot 6 juni 2020. Op 5 februari 2020 heeft eiseres bij verweerder gemeld dat haar relatie met de heer [persoon 1] per 30 oktober 2019 is verbroken.
2.3.
Eiseres heeft op 28 april 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Zij heeft aangegeven slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld tijdens haar huwelijk met de heer [persoon 1] . Verweerder heeft deze aanvraag met een besluit van 10 september 2020 afgewezen. In dat besluit heeft verweerder ook haar verblijfsvergunning ingetrokken per 30 oktober 2019. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Verweerder heeft het bezwaar op 13 november 2020 ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep is ongegrond verklaard in een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 april 2021. [1] De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres het huiselijk geweld niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende bewijs geven om uit te gaan van relationeel geweld op grond waarvan een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ kon worden verleend.
2.4.
Eiseres heeft vanaf 13 januari 2021 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 2] ’ gekregen. Deze verblijfsvergunning zou geldig zijn tot 13 januari 2026.
2.5.
Eiseres heeft op 19 februari 2024 een aanvraag ingediend om een
EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Subsidiair heeft zij een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Ter onderbouwing heeft eiseres het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2022 verstrekt waarin bewezen is verklaard dat de heer [persoon 1] op 13 maart 2020 eiseres heeft aangerand waarvoor hem een (voorwaardelijke) gevangenisstraf en een taakstraf is opgelegd. Eiseres vraagt deze informatie bij de aanvraag te betrekken.
2.6.
Verweerder heeft eiseres op 2 juli 2024 een voornemen tot intrekking van haar verblijfsvergunning toegestuurd. Eiseres heeft op 15 juli 2024 een zienswijze ingediend.
2.7.
Met het primaire besluit van 21 augustus 2024 heeft verweerder de aanvraag om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen en de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van eiseres vanaf 1 juli 2023 ingetrokken. Dit besluit is tevens een terugkeerbesluit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de BRP [2] is gebleken dat eiseres vanaf 1 juli 2023 niet meer op hetzelfde adres stond ingeschreven als [persoon 2] en dat [persoon 2] heeft aangegeven dat de relatie in 2022 is verbroken. Verweerder heeft verder gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en niet voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Zij komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden en niet voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [3] , omdat geen sprake is van gezins- of familieleven.
2.8.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht is ingetrokken vanaf 1 juli 2023. Verweerder heeft verder gesteld dat geen rekening kan worden gehouden met het huiselijk geweld dat eiseres heeft meegemaakt in haar vorige relatie en de bewezenverklaring daarvan in het strafvonnis van 26 april 2022. Eiseres heeft namelijk op 28 april 2020 al verzocht om verlening van een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden vanwege het huiselijk geweld en de afwijzing daarvan staat in rechte vast. Ook indien destijds bekend zou zijn met het strafvonnis, zou dit niet hebben geleid tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden, omdat volgens verweerder het huiselijk geweld niet de aanleiding is geweest voor de verbreking van de relatie. Na de verbreking van de relatie in 2019 is eiseres namelijk nog blijven wonen bij haar ex-partner en op 13 maart 2020 is de aanranding gepleegd waarover het strafvonnis gaat. Verweerder heeft in het strafvonnis ook verder geen aanleiding gezien om af te zien van de intrekking van de verblijfsvergunning of om een verblijfsrecht te verlenen op grond van overige humanitaire omstandigheden. De intrekking maakt dat eiseres op de dag van de aanvraag om verlening van een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd niet over een voorafgaand ononderbroken verblijfsrecht van vijf jaar voor een niet-tijdelijk doel beschikt. Eiseres had de verplichting om tijdig melding te maken van de verbreking van haar relatie, het nalaten daarvan komt voor haar eigen rekening en risico.
2.9.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
2.11.
Met een uitspraak van 12 februari 2026 heeft deze rechtbank een voorlopige voorziening getroffen. [4]

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres voert aan dat het strafvonnis van 26 april 2022 voor verweerder aanleiding had moeten zijn om het besluit van 13 november 2020 te herzien. Verder voert eiseres verschillende beroepsgronden aan tegen de afwijzing van de vergunningaanvraag en de intrekking van haar vergunning. Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat in het bestreden besluit op goede gronden is beslist op het verzoek om herziening van het besluit van 13 november 2020 en verder voert verweer tegen de beroepsgronden van eiseres. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het haar primair gaat om een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene dan wel een vergunning humanitair niet-tijdelijk, waarbij rekening gehouden moet worden met de situatie van het verleden, gelet op het strafvonnis. Subsidiair voert eiseres aan dat de intrekking niet met terugwerkende kracht moet worden beoordeeld. Voor zover dit niet zou slagen, voert eiseres meer subsidiair aan dat het verzoek om herziening van het besluit van 13 november 2020 moet worden toegewezen.
4.1.
De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van het besluit van 13 november 2020 slaagt. Herziening van dat besluit heeft namelijk gevolgen voor de besluitvorming die daarna heeft plaatsgevonden. De rechtbank houdt daarom niet de door eiseres voorgestane volgorde van de beroepsgronden aan.
4.2.
Artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft bestuursorganen de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag of (naar analogie) een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit vereenvoudigd af te wijzen door in de motivering te verwijzen naar de beslissing op de eerdere aanvraag of het eerdere besluit. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt als er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Het staat bestuursorganen vrij een in rechte onaantastbaar besluit naar aanleiding van een verzoek te heroverwegen als er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn als daarvoor gronden aanwezig zijn en de rechtszekerheid dat toelaat.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat het strafvonnis van 26 april 2022 is gewezen nadat het besluit van 13 november 2020 in rechte onaantastbaar is geworden na het verstrijken van de hogerberoepstermijn na de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 april 2021. In het strafvonnis is aanranding van eiseres op
13 maart 2020 bewezen verklaard, terwijl huiselijk geweld eerder niet bewezen was. Hiermee is sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Verweerder heeft het verzoek tot herziening in behandeling genomen en geconcludeerd er geen aanleiding is om tot herziening over te gaan.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit voor zover dat ziet op het verzoek om herziening onvoldoende is om dat onderdeel van het bestreden besluit te dragen. In de eerdere rechtbankprocedure was het ontbreken van een verklaring waaruit blijkt dat bij de politie aannemelijk is gemaakt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en er geen sprake was van een onafhankelijke en objectieve bron doorslaggevend bij de vaststelling dat er onvoldoende bewijs was om uit te gaan van relationeel geweld. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 6 van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 april 2021:
“De rechtbank is van oordeel dat, ook als er van uit wordt gegaan dat de relatie tussen eiseres en referent pas in maart 2020 is verbroken, de IND zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres het huiselijk geweld niet aannemelijk heeft gemaakt op de hierboven onder 5. voorgeschreven wijze. Eiseres heeft weliswaar een groot aantal stukken overgelegd, maar heeft geen verklaring overgelegd waaruit blijkt dat bij de politie aannemelijk is gemaakt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden of een verklaring waaruit blijkt dat het OM ambtshalve vervolging heeft ingesteld tegen referent. De melding van 31 oktober 2019 en de aangifte van 11 juni 2020 zijn daarvoor niet voldoende. Daarnaast heeft de IND zich terecht op het standpunt gesteld dat ook uit de door eiseres overgelegde (medische)informatie onvoldoende blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Deze verklaringen zijn namelijk gebaseerd op de eigen verklaringen van eiseres en daarmee niet afkomstig van een onafhankelijke en objectieve bron. De door eiseres afgelegde verklaringen en de foto’s zijn daarom, in het licht van het beleid van de IND, onvoldoende bewijs om uit te gaan van relationeel geweld op grond waarvan een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ kan worden verleend. De beroepsgrond slaagt niet.”
Het bewijs van relationeel geweld is inmiddels vastgesteld door de strafkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, in het strafvonnis van 26 april 2022. Verweerder miskent dit, dan wel heeft dit onvoldoende betrokken bij de afwijzing van het verzoek om herziening. Verder heeft verweerder nagelaten om opnieuw alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te beoordelen. Door de bewezenverklaring van het huiselijk geweld had verweerder opnieuw de stukken moeten beoordelen die bij de eerdere aanvraag zijn overgelegd. Deze stukken betreffen de melding huiselijk geweld bij de politie en het informatieboekje ‘Seksueel geweld’ van 13 maart 2020, de bevestiging van de aangifte van verkrachting van 11 juni 2020, de risicoscreening bij Blijf Groep van 24 maart 2020, de medische gegevens van huisarts [persoon 3] van februari 2020, de verklaringen van haar maatschappelijk werker bij DOCK en haar vriendinnen en een mail van een politieagent van de eenheid Noord-Holland over de melding van mishandeling die eiseres heeft gedaan op
31 oktober 2019. Uit deze stukken komt het beeld op dat het huiselijk geweld niet beperkt is geweest tot de aanranding op 13 maart 2020. Daarom kan verweerder ook niet zonder meer vasthouden aan het standpunt dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden, omdat de aanranding heeft plaatsgevonden na het beëindigen van de relatie.
4.5.
Het bestreden besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Aan het bespreken van de overige beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet meer toe, om de onder 4.1. omschreven reden.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van het verzoek om herziening niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit zal dan ook in zoverre worden vernietigd. Het herstel van het gebrek vergt nader onderzoek door verweerder en de rechtbank acht het niet doelmatig om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten aan eiseres vergoeden. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting. Voor de proceshandeling van het deelnemen aan de zitting is aan de gemachtigde al een punt toegekend in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening. In deze uitspraak wordt dus nog één punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het verzoek om herziening;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummers AWB 20/9164 en 20/9165.
2.Basisregistratie Personen.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zaaknummer NL24.51162.