Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten in conventie en in reconventie
[naam 3] zijn onder andere de volgende afspraken neergelegd:
IN AANMERKING NEMENDE:
datbeide partijen een gewijzigde huursom zijn aangegaan per heden;
datthans deze huursom zal gaan bedragen een bedrag van f. 10.00 (zegge tien gulden) per week: incl, berging.
datdeze overeengekomen afwijking van 15 aug 1962 zal gelden tot na het overlijden van de langstlevende van [naam 1] en [partij B] : ook indien [naam 3] komt te overlijden.
datdeze overeengekomen huursom 2% bedraagt van het netto salaris van [partij B] .
dat[partij B] voldoening van huurpenningen zal doen, gelijk voorgaande jaren.
dat[naam 2] [partij B] in het ongehinderd woongenot laat en hem vrijwaart voor alle kosten en moeilijkheden zo verhuurder komt te overlijden, zich in staat van faillissement bevindt, of surseance van betaling.
dat[partij B] zich verplicht geen enkele overlast hoe dan ook en waar van ook aan [naam 2] te veroorzaken. (…)”
ERFDIENSTBAARHEDEN EN BIJZONDERE BEDINGEN.
[plaats] 10 oktober 2006-10-11
[partij B] .
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
€ 12.000,- in contanten aan [partij A] betaald. Daarmee heeft zij naar eigen zeggen ruimschoots aan haar verplichting tot huurbetaling voldaan.
tot aan hun dood in het huis aan de [adres 1] in [plaats] mogen wonen pas als beide er niet meer zijn wordt het pas eigendom van [partij A]” en waarin is afgesproken dat [partij B] en [naam 1] jaarlijks een bedrag van € 1,- aan huur betalen, volgt naar voorshands oordeel in elk geval dat [partij A] zijn moeder toestemming heeft gegeven om in de woning te wonen tot aan haar overlijden.
5.De beslissing
26 maart 2026.