ECLI:NL:RBDHA:2026:7165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL25.5786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1b VbArt. 6.1 VbArt. 62 VwArt. 62a VwArt. 66a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens vervallen verblijfsrecht ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat het dossier tijdig en voldoende is aangevuld en dat eiser niet in zijn procesbelang is geschaad.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had omdat zijn Belgische verblijfsvergunning was ingetrokken en hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Verweerder was daarom bevoegd het terugkeerbesluit op te leggen.

Verder is het onttrekkingsgevaar voldoende gemotiveerd aan de hand van zware en lichte gronden, waaronder het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs, geen inkomen en een strafrechtelijke veroordeling. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zou meewerken aan vertrek.

Ten slotte is het opleggen van het inreisverbod terecht, ondanks het privéleven van eiser in België, omdat hij geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangetoond die afzien of verkorting rechtvaardigen. Het inreisverbod is proportioneel en de rechtbank wijst het beroep af.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5786

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Dossierstukken
1. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld doordat deze het verslag van het gehoor dat voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden en de communicatie tussen de liaisonofficier en de Belgische vreemdelingendienst niet aan het dossier heeft toegevoegd.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder voornoemd verslag van het gehoor op 27 januari 2026 aan het dossier heeft toegevoegd. Ten aanzien van de communicatie tussen de liaisonofficier en de Belgische vreemdelingendienst heeft verweerder op de zitting verklaard niet in het bezit te zijn van gespreksverslagen van de gesprekken tussen de liaisonofficier en de Belgische vreemdelingendienst. Verweerder heeft verder aangegeven wel in het bezit te zijn van een brief waarin verweerder door de Belgische autoriteiten is geïnformeerd over het verblijfsrecht van eiser. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting toegezegd deze aan het dossier te zullen toevoegen. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat het een principieel punt is dat stukken aan een dossier dienen te worden toegevoegd. De rechtbank stelt voorop dat op de zaak betrekking hebbende stukken in beginsel (tijdig) aan een dossier moeten worden toegevoegd. De rechtbank ziet in de hiervoor geschetste gang van zaken echter geen aanleiding voor het oordeel dat eiser in zijn procesbelang zou zijn geschaad. Verweerder heeft het verslag van het gehoor twee dagen voor de zitting aan het dossier toegevoegd en geen bezwaar aangetekend tegen het verzoek om toevoeging aan het dossier van de brief van de Belgische autoriteiten. Alhoewel dit eerder had gekund, is het verslag van het gehoor naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig laat aan het dossier toegevoegd dat eiser daar redelijkerwijs voor de zitting geen kennis van heeft kunnen nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtmatig verblijf
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd dat hij niet rechtmatig in Nederland zou hebben verbleven aangezien hij in het bezit was van een Belgische verblijfsvergunning. Volgens eiser is het voor de vraag of hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft verder niet relevant dat hij zich niet zou hebben gehouden aan de bepalingen krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), dat hij onvoldoende middelen van bestaan zou hebben of dat hij een gevaar voor de openbare orde zou vormen.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit de volgende passage is opgenomen:
gebleken is dat de vreemdeling niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat deze:

zich niet, dan wel niet onmiddellijk heeft gehouden aan het bepaalde krachtens en bij de Vreemdelingenwet 2000, namelijk betrokkene in (rechtbank: is) niet in het bezit van een geldig identiteitskaart.

niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, namelijk betrokkene heeft geen inkomen meer.

gevaar oplevert voor de openbare orde, omdat betrokkene is veroordeeld voor een gevangenisstraf van drie jaar.
De rechtbank is het met eiser eens dat hieruit de indruk wordt gewekt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft omdat hij zich niet heeft gehouden aan de bepalingen krachtens de Vw, onvoldoende middelen van bestaan heeft en omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook is de rechtbank met eiser eens dat dit zonder meer onvoldoende grond zou opleveren voor de conclusie dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland zou hebben. In het bestreden besluit is echter ook opgenomen dat eisers Belgische verblijfsstatus door een strafoplegging is ingetrokken, dat eiser op 3 juli 2023 is geschrapt door de gemeente Denderleeuw en dat het verblijfsrecht van eiser in België op 5 juli 2023 is ingetrokken. Dat eiser is geschrapt door de gemeente en dat zijn verblijfsrecht is ingetrokken wordt overigens ook bevestigd in de door eiser aan het dossier toegevoegde brief van zijn advocaat in België. Hoewel het bestreden besluit wellicht niet uitblinkt in duidelijkheid blijkt er naar het oordeel van de rechtbank wel uit dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Verweerder was daarom op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw gehouden om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Onttrekkingsgevaar
3. Verweerder heeft eiser in het terugkeerbesluit een vertrektermijn onthouden. In dit verband heeft verweerder zich in het terugkeerbesluit op het standpunt gesteld dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte geen vertrektermijn van vier weken heeft gegund. Eiser heeft namelijk meegewerkt aan zijn vertrek zodat er geen onttrekkingsgevaar is. Daarnaast is eiser Nederland met een geldige Belgische verblijfsvergunning, en dus op de voorgeschreven wijze binnengekomen (zware grond 3a). Verweerder heeft niet toegelicht waaruit blijkt dat dit niet het geval is, zo stelt eiser. Verder heeft verweerder ook niet toegelicht waaruit blijkt dat de lichte gronden zich voordoen en waarom hier een onttrekkingsgevaar uit volgt.
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 62, eerste lid, van de Vw bepaalt dat de vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, kan verweerder deze termijn voor vrijwillig vertrek verkorten dan wel bepalen dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Volgens artikel 6.1. van het Vb kan worden aangenomen dat er sprake is van een risico op onttrekking in de zin van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, indien ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb, van toepassing zijn.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat, zoals onder 2.1. is overwogen, eisers verblijfsrecht in België op 5 juli 2023 is ingetrokken en dat eiser niet in het bezit was van een geldig identiteitsdocument. Overigens blijkt ook uit de hiervoor genoemde brief van de Belgische advocaat dat eiser in oktober 2023 Nederland is ingereisd. Dit betekent dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat lichte grond 4a, 4d en 4e zich voordoen en dat hier een onttrekkingsrisico uit voortvloeit. In dit kader heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser niet in het bezit is van een geldige identiteitskaart (4a), dat eiser heeft verklaard geen inkomen te hebben (4d) en dat eiser is veroordeeld voor een gevangenisstraf van drie jaar (4e). Uit het samenstel van de zware grond 3a en de lichte gronden 4a, 4d en 4e blijkt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser zou hebben meegewerkt aan zijn vertrek en dat er daarom geen onttrekkingsrisico zou zijn, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 1 augustus 2024 blijkt namelijk dat eiser aanvankelijk niet wilde meewerken aan een gesprek. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 17 september 2024 blijkt verder dat eiser heeft verklaard niet terug te willen naar Congo. In het vertrekgesprek van 20 november 2024 heeft eiser nogmaals verklaard dat hij terug gaat naar België, en niet naar Congo. Dat er sprake is van een meewerkende houding van eiser volgt de rechtbank in zoverre dan ook niet. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd eiser een vertrektermijn te onthouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
4. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien, dan wel de duur ervan had moeten verkorten. Eiser verblijft namelijk al sinds zijn 7e in de Europese Unie en heeft een privéleven opgebouwd in België. Eiser meent verder dat hij het recht heeft om zijn verblijfsrecht in België te kunnen doen herleven. Eiser moet hiervoor fysiek in België zijn, hetgeen niet mogelijk is door het inreisverbod. Eiser heeft in Nederland bovendien ook nog een straf open staan. Dit heeft volgens eiser voldoende afschrikwekkende werking zodat een inreisverbod niet nodig is. Hierbij acht eiser ook van belang dat het inreisverbod slechts is opgelegd omdat een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn is opgelegd, en niet omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Tot slot blijkt uit artikel 5.4. van het Terugkeerhandboek dat het begrip geldige verblijfsvergunning ruim moet worden uitgelegd. Er dient daarom gewicht te worden toegekend aan eisers vervallen verblijfsrecht. Deze omstandigheden zijn volgens eiser niet kenbaar meegewogen in de beoordeling.
4.1.
Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, bestond voor verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in beginsel de verplichting een inreisverbod uit te vaardigen. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw, kan verweerder om humanitaire redenen of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2, onder c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) vaardigt verweerder geen inreisverbod uit wanneer dit in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Uit paragraaf A4/2.3. van de Vc volgt verder dat verweerder voor zover mogelijk een inreisverbod voor de maximale duur uitvaardigt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser privéleven in België heeft. Wel is in geschil of verweerder vanwege het privéleven of het door eiser gestelde familieleven had moeten afzien van het inreisverbod. In het bestreden besluit is onder het kopje ‘Zienswijze’ hierover vermeld dat eiser omstandigheden naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij het erg vindt dat hij zijn familie en vriendin niet kan zien en dat hij dacht dat hij nog een Belgische verblijfsvergunning had. Verweerder verwijst vervolgens naar de zware en lichte gronden en stelt dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het besluit.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in eisers verklaringen terecht geen bijzondere individuele omstandigheden gezien om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien, of de duur van het inreisverbod te verkorten. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser zijn verklaringen niet nader heeft onderbouwd. Daarnaast heeft eiser op geen enkele wijze geconcretiseerd op welke wijze hij invulling geeft of wenst te geven aan zijn familieleven. Zo heeft eiser weliswaar verklaard dat hij bij zijn ouders woont, maar blijkt uit het vertrekgesprek van 17 september 2024 dat eiser sinds juli 2023 niet langer bij zijn ouders woont. Eiser is om die reden ook geschrapt door de gemeente Denderleeuw. Daarnaast heeft eiser verklaard geen zorgtaken te hebben voor zijn ouders of anderen. Over zijn gestelde vriendin heeft eiser verklaard dat zij verdrietig zal zijn als hij terug moet naar Congo. Naar aanleiding van deze feiten en omstandigheden heeft verweerder met de motivering dat niet is gebleken dat zou moeten worden afgezien van het opleggen van het inreisverbod dan wel de duur ervan niet te verkorten het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd. Hierbij heeft verweerder er in het bestreden besluit en nogmaals op de zitting in het bijzonder op kunnen wijzen dat eiser strafrechtelijk is veroordeeld en dat het ook daarom in het belang van de Europese Unie is om een inreisverbod op te leggen. Dat, zoals eiser stelt, de openstaande straf in Nederland genoeg afschrikwekkend is en dat eiser alleen daarom al Nederland niet meer zou inreizen, volgt de rechtbank niet. Het inreisverbod richt zich immers niet alleen op Nederland, maar ook op de EU/EER en Zwitserland. Ook de omstandigheid dat eiser door het opleggen van het inreisverbod zijn verblijfsrecht in België niet kan doen herleven omdat hij niet fysiek aanwezig kan zijn in België heeft verweerder onvoldoende aanleiding kunnen zien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur ervan te verkoren. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. Daarnaast kan eiser een visum aanvragen bij de Belgische autoriteiten, hetgeen hij ook heeft gedaan, of om opheffing van het inreisverbod verzoeken. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat uit artikel 5.4. van het Terugkeerhandboek volgt dat er meer gewicht aan eisers vervallen verblijfsrecht moet worden toegekend. Uit dit artikel blijkt dat de zinsnede ‘verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf’ uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, ruim moet worden opgevat en dat het elke door een lidstaat toegekende status of afgegeven verblijfsvergunning die een recht op legaal verblijf biedt omvat. Deze situatie is niet op eiser van toepassing. Eisers verblijfsrecht is immers ingetrokken. Voor zover eiser bedoelt dat deze zinsnede ook betrekking heeft op een verlopen verblijfsvergunning volgt de rechtbank dit niet. Dit ziet namelijk op de situatie dat de vreemdeling nog internationale bescherming heeft. Deze situatie is ook niet op eiser van toepassing. Eiser heeft namelijk geen internationale bescherming in België of een ander EU-land. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.