ECLI:NL:RBDHA:2026:7161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10940
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 Richtlijn 2008/115Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op het concrete aanknopingspunt voor een overdracht volgens de Dublinverordening en het significante risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte de gronden niet, maar stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast omdat hij bereid was vrijwillig terug te keren naar Duitsland. De rechtbank oordeelde dat de minister zich terecht op het standpunt stelde dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was, mede omdat eiser geen concrete stappen had ondernomen om terug te keren en een aanbod om betaald naar Duitsland te reizen niet had aanvaard.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025. Er waren geen aanwijzingen dat het familie- en gezinsleven van eiser of het non-refoulementbeginsel zich verzetten tegen verwijdering.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10940

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen en heeft een afstandsverklaring getekend, waarin hij verklaart afstand te doen zijn van recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3b, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Lichter middel
3. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel omdat hij heeft aangegeven bereid te zijn vrijwillig terug te keren naar Duitsland. Hij betwist dat hij zich aan het toezicht onttrekt en voert aan dat hem de mogelijkheid geboden had moeten worden om vrijwillig naar Duitsland te vertrekken. In dit kader wijst eiser erop dat hij recent zelfstandig naar Duitsland is vertrokken, maar vlak voor de grens is aangehouden vanwege het ontbreken van verblijfsdocumenten.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor genoemde dragende gronden is er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Daarnaast heeft eiser, ondanks het bevel tot onmiddellijke terugkeer zoals gegeven bij besluit van 1 februari 2026, geen concrete of aantoonbare stappen ondernomen om zijn vertrek naar Duitsland te realiseren. De enkele mededeling dat eiser recent geprobeerd heeft zelfstandig naar Duitsland te vertrekken, is onder deze omstandigheden onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser op 4 februari 2026 de kans heeft gekregen om met stichting Veldwerk betaald naar Duitsland te reizen, maar hier geen gevolg aan heeft gegeven. Eiser heeft verder ook geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel of die de detentie onevenredig bezwarend maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.