De minister van Asiel en Migratie legde op 19 januari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel over de periode van 28 januari tot 19 maart 2026.
Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Pakistan bestaat en dat de maatregel daardoor een punitief karakter heeft gekregen. De rechtbank oordeelde echter dat er concreet zicht op uitzetting is, mede omdat de nationaliteit van eiser door de Pakistaanse autoriteiten is bevestigd. Hierdoor is het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig.
Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel, zoals plaatsing op het Vreemdelingenbewaringlocatie Ter Apel, had moeten worden toegepast. De rechtbank vond dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het risico op onttrekking was afgenomen of dat de maatregel onevenredig bezwarend was geworden.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante Europese jurisprudentie en concludeerde dat geen sprake was van strijd met het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.