ECLI:NL:RBDHA:2026:7157

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.15528
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59a VwArt. 5.1b VbParagraaf 6.5 Vreemdelingencirculaire 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking aan toezicht

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 19 maart 2026 de maatregel van bewaring opgelegd wegens een concreet risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Hij stelde dat de staandehouding onrechtmatig was omdat deze niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd en dat het proces-verbaal slordig was opgesteld. Daarnaast voerde hij aan dat verweerder niet conform het eigen beleid had gehandeld door geen contact op te nemen met zijn voorkeursadvocaat.

De rechtbank oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was, omdat het M105-formulier voldoende aangaf dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond en de staandehouding noodzakelijk was om de identiteit vast te stellen. Hoewel het proces-verbaal slordig was ingevuld, was dit gebrek niet ernstig genoeg om de bewaring onrechtmatig te maken, mede omdat eiser niet had aangetoond dat hij hierdoor in zijn belangen was geschaad.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende inspanningen had verricht om contact met de voorkeursadvocaat te faciliteren en dat het recht op rechtsbijstand niet was geschonden. De gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en een mogelijke overdracht op grond van de Dublinverordening, waren niet bestreden en werden als voldoende beoordeeld.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met een proceskostenveroordeling voor verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15528

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mw. M.Z. Sayin, als waarnemer van zijn gemachtigde mr. M.C. de Jong. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Grondslag voor de staandehouding
2. Eiser voert aan dat er geen wettelijke grondslag bestond voor zijn staandehouding. Eiser is staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw. Deze grondslag is echter niet van toepassing, omdat uit verschillende dossierstukken blijkt dat het ging om een voorbereide staandehouding in eisers kamer op het AZC.
3. De rechtbank is van oordeel dat in het M105-formulier voldoende is gemotiveerd dat sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en dat eisers staandehouding op goede gronden heeft plaatsgevonden. Artikel 50, eerste lid, van de Vw geeft toezichthoudende ambtenaren de bevoegdheid om vreemdelingen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en de rechtmatigheid van hun verblijf. In het M105-formulier is door de verbalisanten van DV&O aangegeven dat de personalia die eiser opgaf bij het binnentreden van zijn kamer op de locatie van het AZC overeenkwamen met de verstrekte informatie uit de infoset van de DT&V. [2] Hieruit blijkt dat de staandehouding noodzakelijk was om vast te stellen dat eiser daadwerkelijk de persoon was waar de door de DT&V verstrekte infoset betrekking op had. Van een onjuiste grondslag van staandehouding is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Slordigheid M105
4. Eiser merkt op dat in het M105-formulier – het proces-verbaal van staandehouding en overbrenging – de aangekruiste opties aangaande eisers rechten slordig, onduidelijk en innerlijke tegenstrijdig zijn. Op basis van dit proces-verbaal kan niet worden opgemaakt van welke rechten hij op dat moment gebruik wilde maken. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat dit proces-verbaal slordig tot stand is gekomen gelet op de door verweerder gezette kruisjes. Dit leidt tot een gebrek.
5. Een dergelijk gebrek maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. [3] De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Eiser heeft niet nader gemotiveerd of en op welke wijze hij, door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Bovendien heeft eiser geen andere zwaarwegende belangen aan zijn zijde gesteld en heeft verweerder zich, zoals de rechtbank hierna zal overwegen, terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek wel veroordelen in de proceskosten.

Het verdedigingsbeginsel

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet conform zijn eigen beleid [4] heeft gehandeld en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn voorkeursadvocaat. Het niet naleven van de in het beleid van verweerder omschreven inspanningsverplichting levert een gebrek op.
7. De rechtbank stelt vast dat eisers voorkeursadvocaat weliswaar is opgenomen in de piketmelding, maar dat hieruit niet kan worden herleid of ook daadwerkelijk contact is opgenomen met eisers voorkeursadvocaat. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met zijn eigen beleid heeft gehandeld. Uit verweerders beleid volgt immers niet dat verweerder zelf is gehouden om contact op te nemen met eisers voorkeursadvocaat. Gelet op verweerders toelichting ter zitting over de werkafspraken met de Raad voor Rechtsbijstand, heeft verweerder voldoende inspanningen verricht door de naam en het telefoonnummer van de voorkeursadvocaat te verstrekken aan de Raad voor de Rechtsbijstand. Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar beoordeling dat niet is gebleken dat eisers recht op rechtsbijstand is geschonden, aangezien een piketadvocaat aan hem is toegewezen en eiser ook rechtsbijstand van deze advocaat heeft gekregen. Deze advocaat is bij het gehoor van eiser aanwezig geweest en heeft aan het einde van het gehoor de gelegenheid gekregen om een zienswijze in te dienen.
Maatregel van bewaring
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [5] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht opvreemdelingen heeft onttrokken;- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;En als lichte gronden [6] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
10. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 5 veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Dienst Terugkeer en Vertrek.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, rechtsoverweging 9.
4.Paragraaf 6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (A).
5.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
6.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.