Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7156

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.15529
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59, eerste lid, aanhef en onder a, VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Gambiaanse vreemdeling, werd op 19 maart 2026 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat zijn staandehouding onrechtmatig was omdat zijn identiteit en verblijfsrecht al bekend waren, en dat de wettelijke grondslag ontbrak. De rechtbank oordeelde echter dat de staandehouding rechtmatig was op basis van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond en de staandehouding diende om vast te stellen dat eiser daadwerkelijk de persoon was die in de infoset van DT&V stond vermeld.

De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden voor de maatregel van bewaring niet had bestreden. De onbestreden feiten en toelichtingen waren voldoende om de maatregel te dragen, aangezien het risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Er was geen sprake van onrechtmatigheid in het voortraject of tijdens de bewaring.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15529

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft op 23 maart 2026 beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.Z. Sayin, waarnemer van zijn gemachtigde mr. M.C. de Jong. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
Wettelijke grondslag voor de staandehouding
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de grondslag van zijn staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw. niet van toepassing is. Uit de door verweerder overgelegde dossierstukken volgt dat de verbalisanten van DV&O stonden te wachten naast de spreekkamer op het AZC waar eiser zich moest melden. Zij herkende eiser bij het naar binnen gaan aan zijn foto en hielden hem pas staande nadat zijn identiteit was vastgesteld. Eiser kon daarom niet worden staandegehouden op deze grondslag, omdat zijn identiteit, nationaliteit en verblijfrechtelijke positie bij verweerder al bekend was. Eisers staandehouding is bij gebreke van een wettelijke grondslag onrechtmatig geweest.
3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Artikel 50 eerste Pro lid, van de Vw geeft de bevoegdheid om personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, indien naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat. Uit paragraaf A2/3.1 van de Vc [2] volgt dat informatie van overheidsinstanties en aanwijzingen uit eigen onderzoek als objectieve maatstaven kunnen dienen. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht volgt dat de staandehouding is gebaseerd op informatie uit de infoset van DT&V. De infoset bevatte een foto van eiser. Ook volgt uit het proces-verbaal dat de verbalisant een collega van DT&V tegen eiser hoorde zeggen dat hij werd overgedragen aan DV&O, waarop hij eisers gegevens uitvroeg. Deze gegevens kwamen overeen met de gegevens in de infoset. Hieruit leidt de rechtbank af dat de staandehouding nodig was om vast te stellen dat eiser daadwerkelijk de persoon was waar de door de DT& V verstrekte infoset betrekking op had. Er is dan ook niet geen sprake van een onrechtmatige staandehouding.
4. Nu de rechtbank geen gebrek in het voortraject heeft geconstateerd, behoeft geen belangenafweging te worden gemaakt. Hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd behoeft geen verdere bespreking.
Maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [3] vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;Als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ambtshalve toets
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.