Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7150

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
25/8601
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Woo-bezwaarschrift

Eiser heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) een verzoek gedaan om openbaarmaking van communicatie tussen PVV-bewindspersonen en fractieleden. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, waarna eiser bezwaar maakte. Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, stelde eiser beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank oordeelt dat de beslissing op bezwaar van 14 november 2025 niet ziet op het bezwaar gericht aan verweerder, ondanks dat deze mede is ondertekend door verweerder. De rechtbank stelt vast dat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het bezwaar en verklaart het beroep gegrond.

Verweerder wordt opgedragen binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen 12 weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8601

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: H. van Drunen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.C.M. Rijkelijkhuizen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 24 juni 2025 dat is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) door eiser.
1.1.
Verweerder heeft het Woo-verzoek met het besluit van 28 mei 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft op 19 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift (in zaak nr. SGR 25/8769).
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van eiser over een soortgelijk Woo-verzoek. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 24 juni 2025. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [3] Verweerder heeft op 14 augustus 2025 een brief gestuurd dat de beslistermijn met zes weken wordt verdaagd en dat de beslistermijn afloopt op 1 oktober 2025. [4] Eiser heeft verweerder op 31 oktober 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
4. Verweerder stelt op 14 november 2025 een beslissing te hebben genomen op het bezwaar van eiser door het besluit van 14 november 2025 met kenmerk 6892226 (mede) te ondertekenen, samen met de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank volgt verweerder hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
5. Eiser heeft soortgelijke Woo-verzoeken gedaan aan in totaal zeven verschillende ministeries. Het verzoek aan het ministerie van Asiel en Migratie heeft kenmerk ‘104’ en het verzoek aan het ministerie van Justitie en Veiligheid het kenmerk ‘100’. De minister van Asiel en Migratie en verweerder (de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) hebben ieder apart op 28 mei 2025 een beslissing op het aan hen gerichte Woo-verzoek genomen, met kenmerk 6370988 respectievelijk 6373928. Eiser heeft tegen allebei de beslissingen een bezwaarschrift ingediend.
6. De beslissing op bezwaar van 14 november 2025, met het briefhoofd van het ministerie van Asiel en Migratie, vermeldt dat met dit besluit een beslissing wordt genomen op het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2025 met kenmerk 6370998, zijnde het kenmerk van de beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Daarnaast wordt als ‘Uw referentie’ genoemd ‘2025/068. Dit is het dossiernummer dat eiser heeft vermeld in het bezwaarschrift dat is gericht aan de minister van Asiel en Migratie. Het bezwaarschrift dat is gericht aan de minister van Justitie en Veiligheid daarentegen heeft dossiernummer ‘2025/067’.
7. Verder wordt in de beslissing op bezwaar onder ‘Verloop van de procedure’ gewezen op het Woo-verzoek van 28 maart 2025 waarin eiser heeft verzocht om het openbaar maken van communicatie tussen de PVV-bewindspersonen van het ministerie van Asiel en Migratie en hun politiek assistenten en de leden van de PVV-fractie.
8. De rechtbank overweegt dat uit de enkele omstandigheid dat de beslissing op bezwaar van 14 november 2025 mede is ondertekend door verweerder, eiser nog niet heeft hoeven afleiden dat het besluit niet alleen ziet op het aan het ministerie van Asiel en Migratie gerichte bezwaarschrift, maar óók op het aan verweerder gerichte bezwaarschrift. De beslissing op bezwaar vermeldt nergens dat het besluit ziet op beide bezwaarschriften, en daarmee op beide Woo-verzoeken. Het is ook niet tijdens de hoorzitting in bezwaar besproken dat op beide bezwaarschriften één besluit zou volgen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat verweerder nog altijd niet op het aan hem gerichte bezwaarschrift heeft beslist en eiser terecht het beroep wegens het uitblijven van een beslissing heeft ingesteld.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

9. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
9.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. In deze zaak ziet de rechtbank aanleiding om een andere termijn te geven, omdat de reikwijdte van het Woo-verzoek nog moet worden vastgesteld en op dit moment de omvang ervan dus nog niet duidelijk is (zie de uitspraak van 5 maart 2026 in zaak nr. SGR 25/8769). De rechtbank bepaalt dat verweerder het besluit binnen 12 weken na het verzenden van deze uitspraak moet nemen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 9.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 10. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (€ 934,- met wegingsfactor 0,5 x 2) omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en ter zitting is verschenen. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
12. ziet op dit gedeelte van het beroep.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummers SGR 25/8769, SGR 25/8605, SGR 25/8729, SGR 25/8773, SGR 25/8777, en SGR 25/8941.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.
4.Artikel 7:10 van Pro de Awb.