Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
25/6649
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing Ziektewet-uitkering niet-ontvankelijk

Verzoeker heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet ingediend, welke door het UWV op 25 september 2025 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, waarna het UWV op 30 december 2025 het bezwaar ongegrond verklaarde. Verzoeker diende vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de rechtbank Den Haag.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoek om voorlopige voorziening betrekking had op het primaire besluit en dat het UWV had meegedeeld dat het bezwaar was afgehandeld. Verzoeker werd gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar en dat het verzoek om voorlopige voorziening in samenhang met dat beroep behandeld kon worden.

Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld binnen de beroepstermijn, voldoet het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke uitspraak over het verzoek.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingesteld beroep binnen de beroepstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6649

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Het Uwv heeft de Zw-aanvraag met het besluit van 25 september 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit. Het Uwv heeft bij e-mailbericht van 6 januari 2026 zich afgemeld voor de geplande zitting van 12 januari 2026 en daarbij meegedeeld dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen op 30 december 2025, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding daarvan partijen bij brief van 6 januari 2026 meegedeeld dat de geplande zitting op 12 januari 2026 is aangehouden, Verder is verzoeker gewezen op de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de beslissing op bezwaar van 30 december 2025 en is daarbij vermeld dat de beroepstermijn zes weken is. Als verzoeker na het instellen van beroep zijn verzoek wil handhaven dan kan het verzoek behandeld worden in samenhang met zijn beroep.
2.3.
Verzoeker heeft geen beroep ingesteld binnen de beroepstermijn. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaarprocedure meer loopt en dat er ook geen beroepsprocedure is. Dit betekent dat het verzoek van verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:81 van Pro de Awb.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzoek wordt dus niet inhoudelijk beoordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.