ECLI:NL:RBDHA:2026:7143
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing Ziektewet-uitkering niet-ontvankelijk
Verzoeker heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet ingediend, welke door het UWV op 25 september 2025 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, waarna het UWV op 30 december 2025 het bezwaar ongegrond verklaarde. Verzoeker diende vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de rechtbank Den Haag.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoek om voorlopige voorziening betrekking had op het primaire besluit en dat het UWV had meegedeeld dat het bezwaar was afgehandeld. Verzoeker werd gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar en dat het verzoek om voorlopige voorziening in samenhang met dat beroep behandeld kon worden.
Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld binnen de beroepstermijn, voldoet het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke uitspraak over het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingesteld beroep binnen de beroepstermijn.