ECLI:NL:RBDHA:2026:7131
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Frankrijk wegens medische omstandigheden
Verzoeker, een Gambiaanse asielzoeker, had bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening, waarbij hij stelde dat geen individuele garanties waren verkregen met betrekking tot zijn medische situatie. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en dat overdracht gerechtvaardigd is.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting en concludeerde dat verzoeker onvoldoende nieuwe feiten had aangevoerd die wezen op onomkeerbare gezondheidsrisico's bij overdracht. De medische situatie was reeds beoordeeld in eerdere procedures en Frankrijk had bevestigd verzoeker terug te nemen. Bovendien zou een medische escort bij de overdracht aanwezig zijn.
Gelet op de spoedeisendheid en de aard van het bezwaar, oordeelde de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Frankrijk is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe relevante feiten over medische risico's.