ECLI:NL:RBDHA:2026:7131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.17202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbVerordening (EU) Nr. 604/2013ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Frankrijk wegens medische omstandigheden

Verzoeker, een Gambiaanse asielzoeker, had bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening, waarbij hij stelde dat geen individuele garanties waren verkregen met betrekking tot zijn medische situatie. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en dat overdracht gerechtvaardigd is.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting en concludeerde dat verzoeker onvoldoende nieuwe feiten had aangevoerd die wezen op onomkeerbare gezondheidsrisico's bij overdracht. De medische situatie was reeds beoordeeld in eerdere procedures en Frankrijk had bevestigd verzoeker terug te nemen. Bovendien zou een medische escort bij de overdracht aanwezig zijn.

Gelet op de spoedeisendheid en de aard van het bezwaar, oordeelde de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Frankrijk is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe relevante feiten over medische risico's.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17202
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Diender).

Inleiding

Verweerder heeft op 20 maart 2026 aan verzoeker meegedeeld dat hij op 31 maart 2026 om 09:30 uur per vliegtuig zal uitreizen naar Marseille, Frankrijk.
Verzoeker heeft tegen deze voorgenomen overdracht bij verweerder bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat overdracht wordt verboden zolang verweerder geen individuele garanties van Frankrijk heeft ontvangen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1989 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 10 januari 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. In het besluit van 9 mei 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is op grond van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Verzoeker heeft namelijk eerder in Frankrijk asiel aangevraagd. Na aanvankelijk niet op het terugnameverzoek van verweerder te hebben gereageerd, hebben de autoriteiten van Frankrijk op 17 september 2025 bevestigd verzoeker te zullen terugnemen.
3. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2025 (zaaknummer NL25.21532) is verzoekers beroep tegen het besluit van 9 mei 2025 ongegrond verklaard. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 september 2025 (zaaknummer 202504933/1/V2) is verzoekers hoger beroep ongegrond verklaard. Hiermee is in rechte vast komen te staan dat verzoeker mag worden overgedragen aan Frankrijk.
4. Verzoeker voert tegen de voorgenomen feitelijke overdracht aan dat verweerder ten onrechte geen individuele garanties heeft verkregen van Frankrijk dat bij de overdracht rekening zal worden gehouden met zijn medische omstandigheden. Daarbij wijst verzoeker erop dat verweerder anderzijds wel in de overdrachtsaankondiging heeft vermeld dat hij suïcidaal is en psychische klachten heeft. Volgens verzoeker kwalificeert hij als een bijzonder kwetsbare vreemdeling in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 in de zaak [naam] tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712).
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers medische situatie in de hiervoor genoemde uitspraken al is beoordeeld, en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Frankrijk onomkeerbare gevolgen zal hebben voor zijn gezondheidstoestand. Er mag vanuit worden gegaan dat Frankrijk verzoeker adequaat zal behandelen. Dat vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid een melding is gemaakt van verzoekers gestelde klachten maakt dit niet anders. Het staat verzoeker vrij om zelf medische informatie te delen met de autoriteiten van Frankrijk indien hij meent dat dit noodzakelijk is. Verweerder deelt ten slotte mee dat bij de voorgenomen overdracht een medische escort mee zal reizen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
7. Aangezien het verzoek zeer kort voor de geplande overdracht wordt beoordeeld, is de vereiste onverwijlde spoed gegeven. Dit biedt de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, vierde lid, van de Awb de mogelijkheid om buiten zitting uitspraak te doen.
8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen een feitelijke overdracht beperkt tot de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Beoordeeld moet worden of de situatie wezenlijk verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot overdracht voortvloeit. Het ligt op de weg van de vreemdeling om daartoe relevante nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren.
9. Uit de hiervoor onder 3 genoemde uitspraken volgt dat niet is gebleken van objectieve gegevens waaruit moet worden afgeleid dat overdracht van verzoeker aan Frankrijk het risico van aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid in zich draagt. De gronden van het verzoek of het onderliggende bezwaarschrift geven niet alsnog blijk van dergelijke gegevens. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat verzoeker een bijzonder kwetsbare vreemdeling is in de zin van het [naam] -arrest, dan wel dat individuele garanties voorafgaand aan de overdracht nodig zijn. Uit de toezegging van verweerder dat bij de overdracht een medische escort zal meereizen, kan worden afgeleid dat verweerder bij de feitelijke overdracht de nodige zorgvuldigheid betracht.
10. De conclusie is dat verzoekers bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.
11. Om die reden bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Voor een oordeel over de proceskosten in een eerder verzoek om een voorlopige voorziening hangende een beroep tegen een verlengingsbesluit dient verzoeker zich te wenden tot de behandelend voorzieningenrechter in die zaak.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum van deze uitspraak is telefonisch doorgegeven aan de gemachtigde van verzoeker op 27 maart 2026 om 14:58 uur, en aan de gemachtigde van verweerder op 27 maart 2026 om 15:02 uur.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.