Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7111

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7646
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister heeft op 5 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, lid 1, sub a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft de maatregel reeds eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. In deze procedure richt de beoordeling zich op de periode na dat onderzoek. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat, dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen zwaardere belangenafweging is gemaakt, mede vanwege het ontbreken van een laissez-passer.

De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede doordat de identiteit en nationaliteit van eiser zijn bevestigd en een laissez-passer is afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft meerdere rappels gedaan en vertrekgesprekken gevoerd. De enkele verwijzing naar de duur van de detentie is onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van eiser te doen uitvallen.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7646
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Gürses) en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Pols).

Procesverloop

De minister heeft op 5 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, lid 1, onder sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 december 2025 (in de zaak NL25.58082) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van
belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt voorop dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen (zwaardere) belangenafweging heeft plaatsgevonden in verband met de zes maanden-termijn van de maatregel van bewaring. Hierbij voert eiser het argument dat de minister geen laissez-passer (lp) aan eiser heeft afgegeven, enkel schriftelijke rappels en vertrekgesprekken heeft gevoerd en dat er geen helderheid bestaat over de identiteit en nationaliteit van eiser zelf.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat, dat de minister niet voortvarend handelt in het proces van eiser en dat er geen (zwaardere) belangafweging nodig wordt geacht.
6. Wat betreft het zicht op uitzetting, overweegt de rechtbank dat dit in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet in de voortgangsrapportage van 12 februari 2026 geen aanknopingspunten voor een andere conclusie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister de identiteit en nationaliteit van eiser heeft bevestigd op 13 februari 2026. Op grond hiervan is aan eiser op 17 februari 2026 een lp afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten, waarmee de identiteit en nationaliteit van eiser thans vastliggen. Na ontvangst van deze lp is er op 18 februari 2026 een vlucht aangevraagd voor eiser. Gelet op het voorgaande is er een concreet zicht op uitzetting op korte termijn.
7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 5 december 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 29 januari 2026, bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast met eiser meermalen een vertrekgesprek gevoerd, laatstelijk op 13 februari 2026. Hiernaast heeft de minister een voornemen afgegeven aan eiser op 13 februari 2026, welk door de minister is aangevuld met de brief van 18 februari 2026.
8. Ten slotte is de enkele verwijzing naar de duur van de detentie, die nog geen zes maanden bedraagt, onvoldoende voor het oordeel dat de belangenafweging thans in het voordeel van eiser dient te vallen. De rechtbank is ook overigens niet van de omstandigheden gebleken die daartoe nopen.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.