ECLI:NL:RBDHA:2026:7101

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL25.32101-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring in asielprocedure afgewezen

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 29 augustus 2025, waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de minister nog niet in gebreke was gesteld binnen de beslistermijn. De minister ontving de asielaanvraag op 5 december 2023 en diende op 26 januari 2024 een claimverzoek in bij Oostenrijk, dat werd geaccepteerd. Omdat de overdracht niet binnen de termijn plaatsvond, werd de minister vanaf 27 juli 2024 verantwoordelijk voor de aanvraag.

Voor Syrië gold een besluitmoratorium van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, waardoor de beslistermijn met een jaar werd verlengd tot maximaal 21 maanden. De minister moest uiterlijk op 27 januari 2026 beslissen. Opposant stelde de minister op 25 juni 2025 in gebreke en startte op 16 juli 2025 een beroep, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.

De rechtbank volgt het standpunt van opposant niet dat de beslistermijn al op 5 december 2023 begon en dat de opname in de nationale procedure geen invloed heeft op de wettelijke aanvangsdatum. Op grond van de Dublinverordening vervalt de overdrachtstermijn en wordt de minister verantwoordelijk vanaf het moment dat de overdracht niet plaatsvindt. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het verzet van opposant wordt ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32101-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposant], opposant,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Yousef).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzet dat opposant heeft ingediend tegen het de uitspraak van 29 augustus 2025 in de zaak NL25.32101.
In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser de minister op 25 juni 2025 in gebreke heeft gesteld. De minister dient pas uiterlijk op 27 januari 2026 te beslissen op de aanvraag.
Opposant tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025 niet juist, omdat de ingebrekestelling van opposant geldig en tijdig was. Opposant voert hierbij aan dat de beslistermijn aanvangt bij ontvangst van de asielaanvraag, thans 5 december 2023. Hiernaast voert opposant aan dat de opname in nationale procedure niet zorgt voor een andere ‘wettelijke ankerdatum’.
De rechtbank volgt opposant niet in zijn standpunt. De reden is als volgt. Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening bepaalt dat als er geen overdracht plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden (de overdrachtstermijn), de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen. Hierbij gaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag
over op de verzoekende lidstaat.
5. De minister heeft de aanvraag op 5 december 2023 ontvangen. Vervolgens heeft de minister op 26 januari 2024 een claimverzoek ingediend bij de Oostenrijkse autoriteiten om opposant terug te nemen. Het claimverzoek is diezelfde dag, dus op 26 januari 2024, geaccepteerd door de Oostenrijkse autoriteiten. Omdat opposant niet binnen de overdrachtstermijn is overgedragen aan de Oostenrijkse Autoriteiten, is de verzoekende lidstaat de dag na de onderhavige termijn verantwoordelijk. De aanvraag dient vanaf die datum onder de nationale procedure verder behandelt te worden. De minister is daarom per 27 juli 2024 verantwoordelijk geworden voor de aanvraag. Dat is ook de datum waarop de beslistermijn begint te lopen. De rechtbank volgt niet het betoog van opposant dat de beslistermijn al zou zijn aangevangen op 5 december 2023. De minister is immers pas vanaf 27 juli 2024 verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Ander dan opposant betoogt, kan de beslistermijn dus niet al zijn gestart op 5 december 2023 omdat de minister toen nog niet verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag.
6. Opposant komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium. Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.
7. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium. De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
8. De minister dient uiterlijk op 27 januari 2026 te beslissen op de aanvraag (te weten: zes maanden beslistermijn na 27 juli 2024 (de datum waarop de minister verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag), en een verlenging van één jaar van de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium). Eiser heeft de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld en heeft op 16 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Aangezien de beslistermijn toen nog niet was verstreken, heeft eiser zijn ingebrekestelling en beroep prematuur ingesteld.
9. In wat opposant aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van 29 augustus 2025.
Conclusie
10. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van NL25.32101 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier
.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 maart 2026

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Documentcode: [Documentcode]