3.4.Bewijsoverwegingen
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever]
De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verklaringen van [aangever] betrouwbaar zijn.
Uit de aangifte van [aangever] van 10 oktober 2024 blijkt in de kern over de gebeurtenissen van die dag het volgende. Nadat blokken cocaïne blijken te zijn gestolen uit de loods van zijn werkgever die daar kennelijk waren opgeslagen, wordt [aangever] door een Molukse man op een dreigende manier gevraagd zijn legitimatiebewijs te tonen. Omstreeks 15:56 uur wordt [aangever] gebeld door een telefoonnummer genaamd ‘[accountsnaam]’. Daarbij wordt hem opgedragen om naar de [adres] in Ter Aar te gaan. Omstreeks 16:10 uur wordt hij opnieuw door [accountsnaam] gebeld, waarbij hij de instructie krijgt om naast een Witte Volkswagen Caddy te parkeren. Uit de auto stappen twee ‘Antilliaanse’ mannen, een bestuurder en een bijrijder. [aangever] moet plaatsnemen in de opening van de schuifdeur van de witte Caddy. De bestuurder geeft hem een hand, welke hij vasthoudt. Op aangeven van de bestuurder doet [aangever] zijn mond open waarna de bijrijder een loop van een pistool in zijn mond duwt. Daarbij is hem door de bestuurder te verstaan gegeven dat dit een waarschuwing was, de ‘spullen’ terug moesten komen en zijn de namen van zijn vrouw en dochter genoemd. Kort hierna ontvangt [aangever] wederom berichten van [accountsnaam], met daarin onder meer vermeld dat het leven van hem en, zijn gezin aan een zijden draadje hing en waarbij details over de namen en adressen van werden genoemd.
[aangever] is meerdere malen door de politie verhoord en ook is hij op 25 augustus 2025 bij de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [aangever] over de gebeurtenissen die dag verschillen weliswaar iets, maar komen in hoofdlijnen met elkaar overeen. Op het punt van de bedreiging met het vuurwapen zijn zijn verklaringen telkens gedetailleerd en consistent. De aangifteverklaring vindt daarnaast op belangrijke onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt onder meer uit de camerabeelden van de [straatnaam] dat de feitelijke gang van zaken rondom de bedreiging overeenkomt met hetgeen [aangever] daarover heeft verklaard. Ook de verklaring omtrent het contact met ‘[accountsnaam]’ en de inhoud van de berichten vindt steun in een data-analyse van de werktelefoon van [aangever]. Verder blijkt uit een getuigenverklaring van [getuige] dat [aangever] kort na de bedreiging in paniek was en aan het huilen en dat hij zei dat hij een pistool in zijn mond had gehad.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [aangever] over voornoemde gebeurtenis van 10 oktober 2024 betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Dat op de camerabeelden geen vuurwapen te zien is, doet aan het voorgaande niet af. Het zicht op wat zich afspeelt in de auto is inderdaad deels geblokkeerd, maar dat betekent niet dat geen sprake is geweest van een (vuur)wapen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [aangever] op dit punt te twijfelen en ziet bovendien bevestiging in de verklaring van [getuige], die [aangever] direct na het incident heeft gezien en zijn paniek en huilen heeft waargenomen terwijl hij vertelde over het vuurwapen.
Anders dan de raadsman heeft bepleit, doen de bevindingen van de historische verkeersgegevens van de werktelefoon die [aangever] bij zich droeg ook niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Uit die bevindingen blijkt immers enkel dat die werktelefoon op enig moment tussen 01:46 uur en 09:23 uur op 10 oktober 2024 een dataregistratie heeft bij het basisstation in Ter Aar. Dat past bij de bevindingen van de camerabeelden van de loods waaruit blijkt dat [aangever] aldaar omstreeks 08:09 uur aan is gekomen.
Is de verdachte één van de personen die [aangever] heeft bedreigd?
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdachte aan te merken is als één van de personen die op 10 oktober 2024 [aangever] heeft bedreigd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) en de verdachte elkaar kennen en vaker met elkaar optrokken en ‘klussen’ deden. Voorts blijkt dat het telefoonnummer dat door de politie aan [medeverdachte] wordt toegeschreven in de vroege middag van 10 oktober 2024 een aantal malen contact heeft met het nummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven. [medeverdachte] wordt door politie en door het slachtoffer op camerabeelden herkend als de persoon die later die middag, om 15:53 uur, vlak voor het tijdstip van de bedreiging, een pakje sigaretten afrekent bij een Esso-tankstation dat zich op loopafstand van de plaats delict bevind. [medeverdachte] gebruikt daarbij een bankpas die op naam van de verdachte staat. Daarnaast blijkt uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte dat deze rondom het tijdstip van de bedreiging, namelijk tussen 15:44 en 16:09 uur, een zendmast in Ter Aar aanstraalt. Uit een netwerkmeting op de plaats delict, [adres] te Ter Aar, blijkt dat deze locatie binnen het bereik is van die zendmast.
De verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting verklaard dat hij zijn telefoon en bankpas was kwijtgeraakt, als reden voor de aanwezigheid van zijn telefoon en bankpas nabij de plaats delict. De verdachte heeft evenwel op nadere vragen daaromtrent, zoals vanaf wanneer hij die spullen al kwijt was, of hij aangifte heeft gedaan en of hij zijn bank ook heeft ingelicht, geen verklaring willen geven. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten die zijn verklaring ondersteunen. Gelet op het late tijdstip van de verklaring van de verdachte, en de weinige details en antwoorden die hij hierover heeft willen geven terwijl er voorts in het dossier geen nadere aanknopingspunten voor zijn, schuift de rechtbank dit alternatieve scenario als onaannemelijk terzijde.
Naast het voorgaande heeft [aangever] tijdens een enkelvoudige spiegelconfrontatie in een verhoor van 6 maart 2025 de verdachte herkend als de bestuurder van de witte Volkswagen Caddy. De rechtbank stelt voorop dat voor het gebruik maken van een enkelvoudige fotoconfrontatie als bewijs uiterste behoedzaamheid geboden is. Dat betekent echter niet dat de fotoconfrontatie zonder meer onbetrouwbaar zou zijn, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht. De rechtbank acht van belang dat [aangever] direct na de gebeurtenissen van 10 oktober 2024 een duidelijk signalement heeft gegeven van zijn bedreigers, waaronder een specifieke baard bij de bestuurder, en dat hij de verdachte binnen afzienbare tijd, te weten vijf maanden daarna, onder meer daaraan herkent. Gelet op bovendien de samenhang met de andere bewijsmiddelen, zoals de zendmastgegevens en pinpastransactie zoals hiervoor besproken, acht de rechtbank de enkele fotoconfrontatie voldoende betrouwbaar om deze ter ondersteuning van het bewijs te gebruiken.
Op grond van het voorgaande en dit in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte de bestuurder is geweest van de witte Volkswagen type Caddy en degene die [aangever] samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft bedreigd door een vuurwapen in zijn mond te doen en te zeggen dat hem, zijn gezin of familieleden iets zou worden aangedaan. Deze bedreigingen waren van dien aard en zijn onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [aangever] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij en zijn familieleden het leven zouden kunnen verliezen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte de bedreiging samen met [medeverdachte] gepleegd. [medeverdachte] en de verdachte hebben [aangever] samen begroet, hem beiden begeleid om te gaan zitten in de deuropening van de auto, waarbij de verdachte hem vervolgens instrueerde zijn mond open te doen, waarna de medeverdachte [medeverdachte] een loop van een vuurwapen in de mond van [aangever] heeft geduwd. De verdachte gaf [aangever] te verstaan dat hij de lul was, dat ze wisten wie zijn vrouw en dochter zijn, hen met voor- en achternamen genoemd en waar zij wonen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande en dit in samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat het de verdachte is geweest die op 10 oktober 2024 [aangever] in vereniging heeft bedreigd.