ECLI:NL:RBDHA:2026:7088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.16141
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 VbArt. 8:83 AwbArt. 30a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting na opvolgende asielaanvraag

Verzoekster heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerste in 2021 en opvolgende in 2024 en 2026. Alle aanvragen zijn afgewezen en de besluiten staan in rechte vast. De laatste aanvraag baseert zich op haar bekering tot de islam en vrees voor haar familie en ex-partner. Verweerder oordeelt dat deze nieuwe elementen niet substantieel zijn en de aanvraag louter is bedoeld om uitzetting te frustreren.

De voorzieningenrechter toetst de ontvankelijkheid van de aanvraag aan de hand van het arrest L.H. van het Hof van Justitie EU, waarbij eerst wordt gekeken of er nieuwe elementen zijn en vervolgens of deze de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. Hoewel de nieuwe verklaringen van verzoekster als nieuw worden erkend, acht de rechter deze onvoldoende om de kans op bescherming te vergroten.

Daarom wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard en de uitzetting niet opgeschort. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De rechter oordeelt dat verzoekster geen proceskosten hoeft te ontvangen en wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van nieuwe relevante feiten die de uitzetting kunnen verhinderen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen omdat de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16141

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
mede ingediend namens haar minderjarige zoon
[verzoeker]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Verzoekster heeft eerst op 9 augustus 2021 asiel in Nederland aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 2 maart 2022 afgewezen als ongegrond. Nu het beroep en hoger beroep ongegrond zijn verklaard, staat dat besluit in rechte vast. Tegen verzoekster is op 21 maart 2024 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Ook dat besluit staat in rechte vast.
2. Verzoekster heeft op 21 mei 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij is bekeerd tot de islam. Zij vreest voor haar familie en ex-partner wegens haar bekering, vanwege haar in Nederland geboren zoon van een andere Arabische partner en vanwege in het verleden meegemaakt huiselijk geweld. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Nu het beroep en hoger beroep ongegrond zijn verklaard, staat dat besluit eveneens in rechte vast.
3. Op 20 maart 2026 heeft verzoekster opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat zij haar familie heeft verteld dat zij is bekeerd tot de islam en dat zij een kind heeft. Verweerder meent dat de nieuwe verklaring van verzoekster geen nieuw relevant element of bevinding is, waardoor de asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. Omdat verweerder ook van mening is dat de aanvraag louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen, heeft verweerder bij besluit van 20 maart 2026 (het bestreden besluit) bepaald de uitzetting niet achterwege te laten op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4. Verzoekster heeft op 23 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van haar uitzetting. Een spoedeisend belang is daarom aanwezig.
5. Verweerder heeft op 23 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
6. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Standpunten van verzoekster en verweerder

7. Verzoekster vraagt aan de voorzieningenrechter om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen zodat zij de beslissing op het bezwaar in Nederland mag afwachten. Verzoekster stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij haar verklaring niet eerder naar voren heeft gebracht. Daarbij wijst zij erop dat tot 20 maart 2026 sprake was van een bij de Afdeling [1] aanhangige procedure. Verder heeft zij bij haar bezwaarschrift onvertaalde schermafdrukken overgelegd van een groepsgesprek. Daarnaast stelt verzoekster dat zelfs al zou zij informatie hebben gedeeld met haar familie met het doel om in Nederland rechtmatig verblijf te krijgen, dit niet betekent dat daarmee haar vrees bij terugkeer niet reëel is. Tot slot is volgens verzoekster niet gebleken dat daadwerkelijk (effectieve) bescherming door de Filipijnse autoriteiten kan worden geboden.
8. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat verzoekster geen nieuwe relevante elementen of bevindingen aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Hij stelt dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

9. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2022, [2] volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in de zaak L.H. tegen Nederland van 10 juni 2021, [3] dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen uit twee stappen bestaat. Stap 1 is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. Fase 1 is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Elementen of bevindingen zijn nieuw wanneer die niet zijn onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt verweerder toe aan fase 2. Fase 2 is het onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Als aan beide, afzonderlijke, ontvankelijkheidsvereisten van fase 1 en fase 2 is voldaan moet verweerder overgaan tot stap 2. Deze stap houdt in dat hij de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt.
10. Niet in geschil is dat wat verzoekster aan haar familie heeft verteld en de door haar overgelegde schermafdrukken niet eerder zijn betrokken in de vorige asielprocedures door verweerder. Er is dan ook voldaan aan fase 1 van stap 1. Ter discussie staat of deze omstandigheden de kans aanzienlijk groter maken voor verzoekster om in aanmerking te komen voor internationale bescherming.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Verweerder wordt in zijn standpunt gevolgd dat al in de vorige procedure is geoordeeld dat verzoeksters gestelde vrees voor haar familie niet zwaarwegend genoeg is om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Dat verzoekster nu stelt dat zij haar familie heeft bericht, brengt geen verandering in dit oordeel. Daarbij is van belang dat ook in de vorige procedure is geoordeeld dat verzoekster bij voorkomende problemen bescherming kan inroepen bij de Filipijnse autoriteiten. Wat verzoekster hierover aanvoert, leidt niet tot een andere conclusie.
12. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met wat verzoekster bij deze asielaanvraag heeft gesteld en overgelegd niet de kans aanzienlijk wordt vergroot voor verzoekster om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Er wordt dus niet voldaan aan fase 2 van stap 1 als bedoeld in het arrest L.H. Verzoeksters asielaanvraag komt dus in aanmerking om niet-ontvankelijk te worden verklaard.
13. Verweerder heeft terecht besloten om de uitzetting van verzoekster naar de Filipijnen niet achterwege te laten. In dat verband is van belang dat verweerder terecht heeft overwogen dat wat verzoekster heeft gesteld en overgelegd niet kan leiden tot inwilliging van de aanvraag. Ook wijst verweerder er terecht op dat verzoekster haar opvolgende asielaanvraag niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft gelet op deze feiten en omstandigheden terecht geconcludeerd dat de asielaanvraag uitsluitend is ingediend om de feitelijke uitzetting te vertragen of te verhinderen.
14. De gronden geven naar voorlopig oordeel geen aanleiding voor twijfel over de juistheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
15. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Het dictum is, vanwege een voor verzoekster geplande vlucht in de avond van 24 maart 2026, telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verzoekster op 24 maart 2026 om 14:17 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 24 maart 2026 om 14:18 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.ECLI:EU:C:2021:478.