ECLI:NL:RBDHA:2026:7085
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen onrechtmatige daad bij geldstromen van overleden man naar vriendin, wel ongerechtvaardigde verrijking
De zaak betreft een vordering van de zoon en enig erfgenaam die stelt dat de vriendin van zijn overleden vader onrechtmatig heeft gehandeld door geld van de nalatenschap op te nemen en over te maken naar haar eigen rekening. De rechtbank stelt vast dat de erflater, ondanks psychiatrische problematiek in het verleden, vanaf 2020 tot aan zijn overlijden handelingsbekwaam was en zelf beheer had over de gezamenlijke en/of-rekeningen.
De primaire vordering tot onrechtmatige daad wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld dat de vriendin zonder toestemming handelde of misbruik maakte van de kwetsbare positie van de erflater. Wel is vastgesteld dat zij voor een bedrag van €27.185,25 ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt op welke rechtsgrond deze bedragen aan haar zijn overgemaakt.
De rechtbank veroordeelt haar tot terugbetaling van dit bedrag met wettelijke rente vanaf de datum van overlijden en de data van de transacties. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vriendin is niet onrechtmatig jegens de nalatenschap, maar moet €27.185,25 terugbetalen wegens ongerechtvaardigde verrijking.