ECLI:NL:RBDHA:2026:703

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/688296 / HA ZA 25-605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendomsgeschil over hekwerk tussen buren met betrekking tot juridische en kadastrale erfgrens

In deze zaak gaat het om een burengeschil tussen twee partijen die eigenaren zijn van aangrenzende kadastrale percelen, gescheiden door een hekwerk. De eisers vorderen een verklaring voor recht dat het hekwerk hun eigendom is, terwijl de gedaagden betwisten dat het hekwerk alleen eigendom is van de eisers. De rechtbank oordeelt dat de juridische erfgrens gelijkloopt aan de kadastrale erfgrens, en dat het hekwerk door natrekking eigendom is van de eisers. De procedure omvat een mondelinge behandeling en een grensreconstructie door het Kadaster, waaruit blijkt dat het hekwerk volledig op de percelen van de eisers staat. De rechtbank wijst de vordering van de eisers toe en veroordeelt de gedaagden in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/688296 / HA ZA 25-605
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van

1.[eisers sub 1] te [woonplaats],2. [eisers sub 2] te [woonplaats],

eisers,
advocaat: mr. C.A. van Kooten-de Jong,
tegen

1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats],2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats],

gedaagden,
advocaat: mr. A.D. Lindenbergh.
Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Partijen zijn buren. Zij zijn eigenaren van aangrenzende kadastrale percelen die feitelijk van elkaar worden gescheiden door een hekwerk (hierna ook: het hekwerk). Tussen partijen is in geschil aan wie het hekwerk in eigendom toebehoort. [eisers] vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat het hekwerk hun eigendom is. Zij voeren hiertoe aan dat het hekwerk volledig op hun percelen staat en daarom door natrekking hun eigendom is. [eisers] stellen in dit verband dat de juridische erfgrens tussen de percelen van partijen gelijkloopt aan de erfgrens zoals vastgelegd in de registers van het Kadaster. [gedaagden] betwisten dat het hekwerk (alleen) eigendom is van [eisers]. Volgens [gedaagden] is het hekwerk geplaatst op de (beoogde) juridische erfgrens en daarom gezamenlijk eigendom van partijen. De rechtbank oordeelt dat de juridische erfgrens gelijkloopt aan de kadastrale erfgrens en dat het hekwerk door natrekking eigendom is van [eisers] De vordering van [eisers] wordt toegewezen.
De procedure
1.2.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 7 juli 2025 met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
- de akte overlegging producties van de zijde van [eisers] met producties 18 en 19;
- het proces-verbaal van plaatsopneming van 28 november 2025.
1.3.
De zaak is op 20 november 2025 mondeling behandeld. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft een gerechtelijke plaatsopneming plaatsgevonden.
1.4.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van een aantal geschilpunten een minnelijke regeling getroffen. De in dit verband tussen partijen gemaakte afspraken zijn opgenomen in een proces-verbaal.
1.5.
Na de mondelinge behandeling hebben [eisers] een akte eiswijziging ingediend. Omdat deze eiswijziging ter zitting al met partijen is besproken hebben [gedaagden] afgezien van het recht om schriftelijk op deze akte te mogen reageren en is vonnis bepaald.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eisers] zijn eigenaar van twee percelen met daarop (onder meer) een woonhuis en veestallen aan de [adres 1] in [plaats], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 1] en [kadastraal kenmerk 2] (hierna ook: percelen [perceel 1] en [perceel 2]).
2.2.
[gedaagden] zijn eigenaar van twee percelen met daarop een woonhuis en overige opstallen aan de [adres 2] in [plaats], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 3] en [kadastraal kenmerk 4] (hierna ook: percelen [perceel 3] en [perceel 4]).
2.3.
Partijen zijn buren. Hun percelen grenzen direct aan elkaar.
2.4.
In het verleden vormden de percelen van partijen één geheel. De ouders van [eisers sub 2] (hierna: [ouders van eisers sub 2]) waren eigenaar van de (voormalige) percelen [perceel 5] en [perceel 6]. In 2011 hebben [ouders van eisers sub 2] een gedeelte van hun beide percelen verkocht en geleverd aan [gedaagden]. De percelen zijn als gevolg hiervan gesplitst en vernummerd. De percelen in eigendom van [gedaagden] kregen de nummers [perceel 3] en [perceel 4]. De percelen in eigendom van [ouders van eisers sub 2] kregen de nummers [perceel 1] en [perceel 2].
2.5.
In de koopovereenkomst tussen [ouders van eisers sub 2] en [gedaagden] van 3 december 2010 staat onder meer, voor zover van belang:
[verkoper en koper] komen overeen: verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt:
de monumentale woonboerderij met hooiberg en schuur, ondergrond, tuin en verder aanbehorenplaatselijk bekend (…)
Zie voor Kadastrale splitsing Artikel 21 van de koopakte
(…)
artikel 21 Kadaster
Het Kadaster zal worden verzocht het perceel uit te meten en af te palen conform de bijgevoegde situatieschets.
De kosten van het Kadaster komen voor rekening van koper.
De nieuw te vormen (ongeveer) zuid-oostelijke kadastrale begrenzing van het verkochte komt te liggen op 1 meter uit de hooiberg. De nieuw te vormen (ongeveer) zuidwestelijke begrenzing van het verkochte komt te liggen op de zijgevel van de schuur, in een rechtlijn naar boven en vervolgens met het asfalt mee.
Zie ook de bijlage: situatieschets van het verkochte (niet op schaal)
artikel 22 Erfafscheiding
Verkoper en koper zullen gezamenlijk overleggen over de aard en wijze van de nog te realiseren erfafscheiding tussen het hierbij verkochte c.q. gekochte en het overblijvende eigendom van verkoper
Kosten zullen in overleg worden verdeeld tussen koper en verkoper”
2.6.
In de akte van levering van 21 februari 2011 staat onder meer, voor zover van belang:
“LEVERING AAN KOPER
Ter uitvoering van voormelde overeenkomst levert verkoper bij deze aan koper, die op grond van voormelde overeenkomst bij deze aanvaardt: de eigendom van een perceel grond met de zich daarop gestichte opstallen, te weten een woonboerderij met hooiberg en schuur, met verder toebehoren, plaatselijk bekend [adres 2] te [postcode] [plaats], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 5] gedeeltelijk, ter grootte van ongeveer vijftien are en vijfenzeventig centiare of zoveel groter of kleiner als na kadastrale uitmeting mocht blijken; een en ander zoals met streeparcering schetsmatig is aangegeven op de aan
deze akte gehechte situatietekening;”
2.7.
In de akte van rectificatie van 3 mei 2011 op de akte van levering van 21 februari 2011 staat onder meer, voor zover van belang:

Rectificatie
Op grond van het vorenstaande gaan partijen bij deze over tot rectificatie van de in gemelde akte gemelde omschrijving, zodat de juiste omschrijving komt te luiden: de eigendom van een perceel grond met de zich daarop gestichte opstallen, te weten een woonboerderij met hooiberg en schuur, met verder toebehoren, plaatselijk bekend [adres 2] te [postcode] [plaats], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 5]
gedeeltelijken
[kadastraal kenmerk 6]gedeeltelijk, vormende één onroerende zaak, ter grootte van ongeveer vijftien are en vijfenzeventig centiare of zoveel groter of kleiner als na kadastrale uitmeting mocht blijken, een en ander zoals met streeparcering schetsmatig is aangegeven op de aan deze akte gehechte situatietekening (…)”
2.8.
Op 4 april 2011 heeft een landmeter van het Kadaster de kadastrale grenzen tussen de percelen van (thans) partijen ingemeten.
2.9.
In mei 2012 is door dhr. [naam] en [gedaagden sub 1] gezamenlijk een hekwerk geplaatst dat de percelen van (thans) partijen feitelijk van elkaar scheidt.
2.10.
In 2019 hebben [ouders van eisers sub 2] de percelen [perceel 1] en [perceel 2] verkocht aan de [provincie]. In 2022 hebben [eisers] de percelen [perceel 1] en [perceel 2] in eigendom gekregen.
2.11.
In 2024 is er discussie ontstaan tussen partijen over de eigendom van het hekwerk.
2.12.
Op 26 maart 2024 heeft de landmeter van het Kadaster op aanvraag van [eisers sub 1] een grensreconstructie uitgevoerd en de kadastrale grens tussen de percelen van partijen vastgesteld. Uit deze grensreconstructie blijkt dat het gehele hekwerk op de kadastrale percelen [perceel 1] en [perceel 2] (de percelen van [eisers]) staat.
2.13.
Vervolgens heeft er correspondentie plaatsgevonden tussen (de advocaten van) partijen over (onder meer de eigendom van) het hekwerk. Partijen zijn het tot op heden niet eens over wie eigenaar is van het hekwerk.

3.Het geschil

3.1.
Het geschil over het eigendom van het hekwerk heeft geleid tot meerdere conflicten tussen partijen, op grond waarvan [eisers] in deze procedure in eerste instantie allerlei geboden en verboden hebben gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hierover een schikking getroffen, waardoor de vraag omtrent het eigendom van het hekwerk resteert. Daartoe hebben [eisers] na de mondelinge behandeling een eiswijziging ingediend en vorderen zij, na die wijziging van eis, dat de rechtbank, bij vonnis voor zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart dat het hekwerk staande op het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 2] en op perceel [kadastraal kenmerk 1] volledig eigendom is van [eisers].
3.2.
[eisers] leggen hieraan het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag. Op 4 april 2011 heeft het Kadaster de (juridische) erfgrens tussen de percelen van partijen ingemeten, conform hetgeen is bepaald in de leveringsakte en in artikel 21 van de tussen [ouders van eisers sub 2] en [gedaagden] gesloten koopovereenkomst. In mei 2012 is het hekwerk geplaatst dat de percelen van partijen feitelijk van elkaar scheidt. Blijkens de in 2024 door het Kadaster uitgevoerde grensreconstructie staat het hekwerk volledig op de percelen van [eisers]. Dit brengt met zich dat het hekwerk door natrekking eigendom is van [eisers].
3.3.
[gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. Daartoe betogen [gedaagden], samengevat weergegeven, dat de juridische erfgrens niet overeenstemt met de kadastrale erfgrens, maar met de feitelijke erfgrens (het hekwerk). Volgens [gedaagden] staat in de leveringsakte en in de koopovereenkomst weliswaar omschreven dat het kadaster het verkochte perceel zal uitmeten, maar de exacte vaststelling van de erfgrens was afhankelijk was van de nader tussen de koper ([gedaagden]) en de verkoper ([ouders van eisers sub 2]) overeen te komen locatie. Die nadere overeenstemming is pas tot stand gekomen in mei 2012, toen dhr. [naam] en [gedaagden sub 1] met het plaatsen van het hekwerk (overeenkomstig de omschrijving in de koopovereenkomst) de erfgrens hebben bepaald.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in geschil wie eigenaar is van het hekwerk dat hun percelen feitelijk van elkaar scheidt. Om dit te kunnen vaststellen, is van belang waar de juridische erfgrens tussen de percelen van partijen loopt. [eisers] stellen dat de juridische erfgrens samenvalt met de kadastrale erfgrens zoals ingemeten door het Kadaster op 4 april 2011 en (zoals vastgesteld bij de grensreconstructie in) 26 maart 2024. [gedaagden] betwisten dit en stellen zich op het standpunt dat de juridische erfgrens gelijk loopt met de feitelijke erfafscheiding (het hekwerk).
4.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De kadastrale grens is de grens die door de landmeter van het Kadaster wordt vastgelegd. De juridische grens is de grens zoals die tussen partijen is overeengekomen. Daarvoor is bepalend de in de leveringsakte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak. [1] Derden moeten op de inschrijving in de registers kunnen vertrouwen en daarbij past geen uitleg naar subjectieve maatstaven, gebaseerd op een uit de leveringsakte niet af te leiden partijbedoeling. Beoogd wordt om de kadastrale grens te laten aansluiten bij de juridische grens. Door omstandigheden kan het echter voorkomen dat achteraf blijkt dat de juridische grens niet aansluit bij de kadastrale grens. In dat geval prevaleert de partijbedoeling in de akte van levering (juridische grens) boven de kadastrale grens.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat de juridische erfgrens in dit geval gelijk loopt met de kadastrale grens. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.4.
In de hiervoor onder 2.5 weergegeven omschrijving van het verkochte in de koopovereenkomst wordt uitdrukkelijk verwezen naar de in artikel 21 van de koopovereenkomst overeengekomen inmeting door het Kadaster. In artikel 21 wordt vervolgens overeengekomen dat het Kadaster zal worden verzocht om het (verkochte) perceel uit te meten en af te palen conform de bij de koopovereenkomst gevoegde situatieschets, waarbij in artikel 21 grofweg is aangegeven hoe de nieuw te vormen kadastrale
begrenzingkomt te liggen. Op grond daarvan moet, bij gebreke aan andere concrete aanknopingspunten uit de koopovereenkomst, het standpunt van [eisers] worden gevolgd dat de kadastrale meting van 4 april 2011 was bedoeld ter vastlegging van de juridische erfgrens.
4.5.
Uit de notariële akte van levering volgt niet anders. In de (rectificatie op de) akte van levering van het verkochte staat omschreven dat de omvang van het verkochte op dat moment nog niet exact duidelijk was (“ter grootte van ongeveer vijftien are en vijfenzeventig centiare (…) een en ander zoals met streeparcering schetsmatig is aangegeven op de aan deze akte gehechte situatietekening”). Verder is in de akte bepaald dat de exacte omvang van het verkochte (gebaseerd op de situatietekening) na kadastrale uitmeting zal blijken. De leveringsakte, waarin de omvang van het verkochte moet worden opgenomen, sluit voor deze omvang dus aan bij de kadastrale inmeting en de
omvangvan het verkochte kon dus pas exact worden vastgesteld nadat partijen aan het Kadaster de nieuw te vormen
erfgrenshadden aangewezen.
4.6.
De rechtbank overweegt verder dat voornoemde meting heeft plaatsgevonden op grond van artikel 57 Kadasterwet. Een dergelijke meting dient te worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarvoor een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Indien deze rechtsgang niet is gebruikt, dient de burgerlijke rechter de betreffende beschikking zowel naar haar wijze van totstandkoming als naar haar inhoud voor juist aan te nemen, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard. [2]
4.7.
Vooropstaat dat [gedaagden] geen bezwaar hebben aangetekend tegen de grensmeting. Weliswaar hebben [gedaagden] in onderhavige procedure gesteld dat zij destijds niet bij de meting aanwezig waren, maar niet gesteld dan wel gebleken is dat zij niet voor de meting zijn opgeroepen. Overigens lijken [gedaagden] ook geen rechtsgevolgen te verbinden aan het feit dat zij niet bij de meting zijn verschenen. Andere omstandigheden die met zich brengen dat een uitzondering moet worden aanvaard op het uitgangspunt dat de meting naar inhoud en totstandkoming juist is, zijn niet door [gedaagden] gesteld en zijn ook niet aannemelijk geworden. Dit brengt met zich dat de kadastrale meting uit 2011 - en daarmee ook de grensreconstructie uit 2024 - voor juist moeten worden gehouden.
4.8.
Ten slotte geeft ook de passage “
De nieuw te vormen (ongeveer) zuid-oostelijke kadastrale begrenzing van het verkochte komt te liggen op 1 meter uit de hooiberg.” uit artikel 21 van de koopovereenkomst aanleiding om aan te sluiten bij de kadastrale grens, nu bij de plaatsopneming is gebleken dat het hekwerk op 1,50 meter van de gevel van de (voormalige) hooiberg ligt.
4.9.
Nu naar het oordeel van de rechtbank de juridische erfgrens gelijk loopt met de kadastrale erfgrens en het hekwerk blijkens de meting van het Kadaster in 2024 volledig op de percelen van [eisers] staat, brengt dit met zich dat het hekwerk door natrekking (volledig) in eigendom toebehoort aan [eisers]. De rechtbank zal de hierop ziende vordering van [eisers] daarom toewijzen.
4.10.
Voor zover [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat zij bij het plaatsen van het hek in 2012 met dhr. [naam] hebben afgesproken dat het hek eigendom zou worden van [gedaagden] overweegt de rechtbank dat – nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat deze afspraak destijds is gemaakt – deze stelling niet opgaat, nu het hek destijds op het perceel van [ouders van eisers sub 2] is geplaatst en daarmee door natrekking hun eigendom (en thans van [eisers]) is geworden.
4.11.
Ook het beroep van [gedaagden] op (verkrijgende) verjaring slaagt niet. Uitgangspunt is dat het hekwerk eigendom is van (thans) [eisers]. Voor zover [gedaagden] met hun beroep op verjaring ten aanzien van het stuk grond aan “hun kant van het hekwerk” – dat in eigendom toebehoort aan [eisers] – ook bedoelen dat de grond onder het hek en daarmee het hek door verjaring eigendom van [gedaagden] is geworden, oordeelt de rechtbank dat [gedaagden] de hiervoor vereiste bezitsdaad onvoldoende hebben onderbouwd. Uit niets blijkt dat [gedaagden] het hekwerk en de grond daaronder in bezit hebben genomen. Het enkele feit dat [gedaagden] het hekwerk als de erfgrens beschouwde is daartoe onvoldoende.
Proceskosten
4.12.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.842,00
(3 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.540,43
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat het hekwerk staande op het perceel kadastraal bekend
[kadastraal kenmerk 2] en op perceel [kadastraal kenmerk 1] volledig eigendom is van [eisers];
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.540,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
3474

Voetnoten

1.HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901.
2.HR 16 mei 1986, NJ1986, 723.