Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6997

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/697334 / FA RK 26-183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen exclusief gebruik woning, zorgregeling en kinderalimentatie bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd en ouders van twee minderjarige kinderen. Na het ontstaan van onhoudbare woonsituatie verzoeken zij beiden om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank constateert dat toewijzing aan één partij leidt tot dakloosheid van de ander en kiest voor een tijdelijke birdnestregeling waarbij ouders om beurten met de kinderen in de woning verblijven.

De zorg voor de kinderen wordt aan de man toegewezen, mede vanwege zijn stabiele situatie en het belang van continuïteit, waaronder het behoud van kinderopvangtoeslag. De rechtbank stelt de voorlopige kinderalimentatie vast op €450 per maand per kind, ondanks dat de berekening een hoger bedrag toelaat, omdat zij niet ambtshalve een hoger bedrag kan toewijzen.

Het verzoek van de man tot het opleggen van een gebruiksvergoeding aan de vrouw wordt afgewezen omdat dit niet onder de voorlopige voorzieningen valt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en regelt de zorg- en woonsituatie totdat een definitieve regeling wordt getroffen.

Uitkomst: De rechtbank wijst een birdnestregeling toe voor exclusief gebruik van de woning, vertrouwt de zorg toe aan de man en stelt voorlopige kinderalimentatie vast op €450 per kind per maand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-183
Zaaknummer: C/09/697334
Datum beschikking: 26 februari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 7 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Smits te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Maric te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken;
  • het F9-formulier van 12 februari 2026 van de zijde van de man, met bijlage.
Op 13 februari 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat en tolk D. Gulei;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

 Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2020 te [plaats].
 Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2].
 De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
  • De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Roemeense nationaliteit.
  • De man heeft nog twee andere kinderen uit een eerder huwelijk, te weten:
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 3];
  • [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats 3].

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, met
machtiging aan de vrouw deze beschikking in zoverre zo nodig zelf ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 450,- per maand per kind wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres],
subsidiair voorwaardelijkdat hij tot het uitsluitend gebruik van de woning gerechtigd zal zijn, gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn en dat de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning gerechtigd is gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij haar zijn (zie voor voorlopige zorgregeling randnummer 33 e.v.)
- indien het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegekend aan de vrouw,
de vrouw verplicht wordt tot het voldoen van een gebruiksvergoeding op basis van de woon- en eigenaarslasten, doch tenminste de volledige hypotheeklasten zijnde € 1.721,96,- per maand;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld conform randnummer 54 en 55;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig:
- dat indien de kinderen aan de man worden toevertrouwd er sprake is van birdnesting waarbij de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en contactregeling op donderdag van 08:00 uur tot 17:30 uur en zondag van 09:00 uur tot 17:30 uur bij de man verblijven en de overige tijd bij de vrouw, welke regeling gedurende de periode dat de voorlopige voorzieningen van kracht zijn, zal doorlopen ook gedurende de vakanties;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in deze voorlopige voorzieningenprocedure en zal Nederlands recht toepassen.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en voorlopige zorgregeling
Beide partijen verzoeken om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. De door partijen geschetste feiten en omstandigheden lopen sterk uiteen en kunnen niet naast elkaar bestaan. Waar partijen het wel over eens zijn is dat de inmiddels ontstane situatie onhoudbaar is en dat zij niet meer samen in de woning kunnen zijn.
De vrouw voert ter onderbouwing van haar standpunt aan dat zij al jarenlang de dagelijkse zorg voor de kinderen draagt. Zij acht het in hun belang dat zij met hun primaire verzorger in de voor hen vertrouwde woonomgeving kunnen verblijven. Anders dan de man, heeft de vrouw geen familie in Nederland en ook geen vrienden bij wie zij tijdelijk (met de kinderen) terecht kan. Daarnaast beschikt zij op dit moment niet over eigen inkomsten, waardoor het voor haar niet mogelijk is om zelfstandig woonruimte te huren.
De man voert aan dat de woning een stabiele basis vormt van waaruit hij zorg draagt voor zijn vier kinderen. Hij heeft ook nog twee oudere kinderen met wie hij een co-ouderschapsregeling uitvoert en voor wie rust, continuïteit en voorspelbaarheid van groot belang zijn. De woning is eigendom van de man. Het is voor hem financieel onmogelijk om, naast het dragen van de volledige lasten van de echtelijke woning, passende alternatieve woonruimte te verkrijgen en te financieren. De man heeft geen mogelijkheid om (met de kinderen) bij familie of vrienden te verblijven. Hij heeft alleen zijn vader, maar die woont in een seniorenwoning, lijdt aan de ziekte van Parkinson en krijgt veel zorg. Bij hem intrekken is dus geen reële optie.
De rechtbank overweegt dat toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan één van partijen tot gevolg zou hebben dat de andere partij op straat komt te staan. Een dergelijke situatie acht de rechtbank, mede gelet op het belang van de kinderen, niet wenselijk. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een birdnestregeling op dit moment de enige haalbare oplossing vormt. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de man nog twee andere kinderen heeft voor wie een co-ouderschapsregeling geldt en voor wie continuïteit van de woonomgeving ook van belang is.
De rechtbank is zich ervan bewust dat een dergelijke regeling niet ideaal is en veel van partijen vergt. Niettemin verwacht de rechtbank van partijen dat zij, in het belang van de kinderen, hun medewerking verlenen aan deze (tijdelijke) constructie. Dit houdt in dat wanneer de ene ouder met de kinderen in de woning verblijft, de andere ouder de woning verlaat en elders verblijft.
De rechtbank zal daarom de volgende voorlopige tweewekelijkse zorgregeling bepalen: de eerste week verblijft de man met de kinderen in de echtelijke woning van woensdagavond 17.30 uur tot en met zondagavond 17.30 uur en heeft gedurende die periode het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Van zondagavond 17.30 uur tot en met woensdagavond 17.30 uur verblijft de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning en komt haar gedurende die periode het uitsluitend gebruik van de woning toe. In de tweede week verblijft de man met de kinderen weer in de woning van woensdagavond 17.30 uur tot zaterdagochtend 10.00 uur en komt hem gedurende die periode het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe. Vervolgens verblijft de vrouw met de kinderen in de woning van zaterdagochtend 10.00 uur tot woensdagavond 17.30 uur en komt haar gedurende die periode het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe.
De rechtbank realiseert zich dat de vrouw met deze regeling niet een volledig weekend met de kinderen heeft. Nu het hier echter een tijdelijke regeling betreft en de vrouw op dit moment geen werk heeft, acht de rechtbank dit niet onredelijk of bezwaarlijk.
Hoewel de vrouw hier anders over denkt, is de rechtbank van oordeel dat de kinderen, gelet op hun leeftijd, in staat zijn om bij de man te overnachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de nabije toekomst, gelet op de voorgenomen echtscheiding, een situatie zal ontstaan waarin de kinderen bij beide ouders zullen overnachten. Het is in hun belang dat zij nu al aan die situatie kunnen wennen.
Ten aanzien van de verdeling van de vakanties overweegt de rechtbank dat een voorlopige voorziening het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om een afzonderlijke vakantieregeling vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de reguliere zorgregeling doorloopt gedurende de vakanties.
Toevertrouwing minderjarigen
De vrouw verzoekt de kinderen aan haar toe te vertrouwen, omdat zij de dagelijkse zorg voor de kinderen draagt.
De man voert verweer en verzoekt de kinderen aan hem toe te vertrouwen. De man voert aan dat hij de meest stabiele, veilige en voorspelbare opvoedsituatie kan bieden. Verder kan hij, als de kinderen aan hem worden toevertrouwd, aanspraak maken op kinderopvangtoeslag. De man vindt het onwenselijk dat de kinderen mogelijk geen gebruik meer kunnen maken van de kinderopvang omdat de man dit zonder toeslag niet kan betalen. Volgens de man ontstaat die situatie nu, omdat de vrouw niet werkt en de toeslag dan komt de vervallen.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de hiervoor vastgestelde voorlopige zorgregeling heeft de vrouw niet de volledige zorg voor de kinderen. Binnen deze regeling draagt immers ook de man gedurende zijn zorgmomenten de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat het in het belang van de kinderen is dat zij naar de kinderopvang kunnen blijven gaan, zodat structuur en stabiliteit gewaarborgd blijft in hun dagelijks leven. Alles afwegende acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij aan de man worden toevertrouwd.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen van € 450,- per maand
per kind. De man voert hiertegen verweer.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Burgerlijke Pro Rechtsvordering (Rv), de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren, te weten 26 februari 2026.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 14.451,- bruto per jaar in 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 1.039,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 99.408,- bruto per jaar in 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 5.356,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 6.395,- per maand (€ 1.039,-
(NBI vrouw) +€ 5.356,- (
NBI man)). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.470,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.638,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht van de vrouw
Bij de berekening van het huidige NBI van de vrouw gaat de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure uit van de feitelijke situatie. De vrouw heeft op dit moment geen inkomen. Conform het Tremarapport houdt de rechtbank geen rekening met een minimale draagkracht van de vrouw, omdat zij geen inkomen heeft als verzorgende ouder.
Draagkracht van de man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 7.748,- bruto per maand te vermeerderen met € 1.278,- bruto per maand aan Individueel keuze budget (IKB) gebaseerd op de salarisspecificatie van december 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 620,- per maand;
  • de premie arbeidsongeschiktheidspensioen van € 46,- per maand;
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.758,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De man betaalt elke maand kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 4] en [minderjarige 3]. Uit het tussen de man en zijn voormalige partner opgestelde ouderschapsplan volgt dat de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] in 2020 is vastgesteld op € 1.390,- per maand. De man en zijn voormalige partner zijn destijds gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat de werkelijke kosten van de kinderen lager lagen dan de behoefte conform de toepasselijke trematabellen. Zij hebben daarom in onderling overleg afgesproken dat zij allebei elke maand € 280,- op de kindrekening zouden storten. In de daarop volgende jaren is gebleken dat dit bedrag ontoereikend was om de kosten van de kinderen te dekken. Om die reden storten de man en zijn voormalige partner inmiddels maandelijks een bedrag van € 430,- op de kinderrekening. De vrouw heeft dit bedrag niet heeft betwist en daarom zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een maandelijkse bijdrage van € 430,- ten behoeve van [minderjarige 4] en [minderjarige 3].
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- - 430)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [5.758 – (1.727 + 1.365) – 430] = € 1.565,- per maand.
Zorgkorting
Op de door de man te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vastgestelde voorlopige zorgregeling, zou de man naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aanspraak kunnen maken op een zorgkorting van 35% van de behoefte, ofwel € 573,- per maand. Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie.
De draagkracht is € 1.565,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van € 1.638,- per maand, zodat het tekort aan draagkracht 73,- per maand bedraagt. Ervan uitgaande dat beide ouders voor de helft bijdragen in dit tekort en de zorgkorting van € 573,- per maand op de draagkracht van de man in mindering komt, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie [1.565 – (573 – 73/2) = ] 1.029,- per maand, te weten € 514,- per maand per kind.
Conclusie
De vrouw verzoekt een bedrag van € 450,- per maand per kind aan kinderalimentatie. De rechtbank kan niet ambtshalve een hoger alimentatiebedrag toewijzen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 450,- per maand per kind aan de vrouw zal voldoen.
Gebruiksvergoeding
In zaken van echtscheiding kan iedere echtgenoot om voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Wetboek Pro van Rv vragen. Voornoemd artikel geeft een limitatieve opsomming van de voorzieningen die kunnen worden gevraagd. Nu het verzoek te bepalen dat de vrouw aan de man een gebruikersvergoeding voor de echtelijke woning dient te betalen geen voorziening is zoals bedoeld in artikel 822 Rv Pro, zal de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van de gebruiksvergoeding afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de kinderen bij de man zijn in de eerste week van woensdagavond 17.30 uur tot en met zondagavond 17.30 uur en in de tweede week van woensdagavond 17.30 uur tot zaterdagochtend 10.00 uur gedurende welke periode de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende deze periode die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de kinderen bij de vrouw zijn in de eerste week van zondagavond 17.30 uur tot en met woensdagavond 17.30 uur en in de tweede week van zaterdagochtend 10.00 uur tot woensdagavond 17.30 uur gedurende welke periode de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man gedurende deze periode die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2].
aan de man zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen(bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 450,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2026.