Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6994

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/676941 / FA RK 24-8801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:100 BWArt. 1:164 BWArt. 3:182 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd in 2013 en hebben drie minderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 25 februari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen omtrent de zorg en verblijfplaats van de kinderen. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen waaronder verdeling van de huwelijksgemeenschap, zorgregeling, kinderalimentatie en vergoedingsrecht.

De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst het verzoek tot echtscheiding toe. De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de vrouw vastgesteld. De zorgregeling wordt uitgebreid vastgesteld met een wisselend weekschema en een gedetailleerde vakanties- en feestdagenregeling. De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €382 per maand per vader, rekening houdend met draagkracht en zorgkorting.

De man heeft een schenking van €100.000 ontvangen met uitsluitingsclausule, waarvan €99.990 is gebruikt voor de woning. De rechtbank erkent een vergoedingsrecht van €108.000 op de gemeenschap. De woning wordt primair aan de man toegedeeld onder voorwaarden, met mogelijkheid tot verkoop. Bankrekeningen worden verdeeld per saldo, inboedel en bakfiets aan de man met vergoeding aan de vrouw. De hond wordt aan de vrouw toegewezen. Schulden bij ouders worden gelijkelijk gedragen. Kosten voor onderhoud worden gedeeld. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats bij vrouw, zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling van huwelijksgemeenschap en vergoedingsrecht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8801 (echtscheiding)
FA RK 25-6108 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/676941 (echtscheiding)
C/09/690005 (verdeling)
Datum beschikking: 26 februari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 6 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.L. Wierstra te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 17 december 2024 van de zijde van de vrouw, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het F9-formulier van 6 februari 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlage de geboorteakten;
  • het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man;
  • het verweerschrift op zelfstandige verzoeken, tevens wijziging c.q. aanvulling van het verzoekschrift van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift op gewijzigde c.q. aanvullende verzoeken, tevens houdende wijziging c.q. aanvulling zelfstandige verzoeken, van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 28 augustus 2025 van de zijde van de man;
  • de brief van 16 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen, tevens aanvullend c.q. wijziging verzoek;
  • het F9-formulier van 27 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 29 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 29 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2013 te [plaats].
  • Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats].
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
  • Deze rechtbank heeft op 25 februari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
- dat de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- dat de minderjarige kinderen met ingang van 1 maart 2025 voorlopig bij de man zullen verblijven en dat de man gerechtigd is om die regeling uit te voeren in de echtelijke woning van partijen, een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19:30 uur en wekelijks op dinsdag uit school tot 19.30 uur, met een regeling voor vakanties en feestdagen.
- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met uitzondering van de momenten dat de man in het kader van de voorlopige zorgregeling gerechtigd is om met de kinderen in de echtelijke woning te verblijven;
- dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] tijdens de momenten dat hij in het kader van de voorlopige zorgregeling gerechtigd is met de kinderen in de echtelijke woning te verblijven, met uitzondering van de weken in de zomervakantie van 2025;
- dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 maart 2025, een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal betalen van
€ 163,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat na wijziging en aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
  • vaststelling van de (definitieve) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, met een regeling voor de vakanties en feestdagen;
  • vaststelling van kinderalimentatie van € 321,- per kind per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 12 juni 2025, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als volgt:
- primair moet de woning verkocht worden, subsidiair, indien de man financieel in staat blijkt de onverdeelde helft van de eigendom van de vrouw te kopen, kan de man de vrouw uitkopen;
- de bankrekeningen komen in aanmerking voor verdeling per peildatum;
- de inboedel moet verdeeld bij helfte, in onderling overleg;
- de bakfiets blijft onverdeeld en wordt gebruikt door de ouder waar op dat moment de kinderen zijn;
- de geldlening bij de moeder van de vrouw, met een totaalbedrag van € 40.000,-, dient door partijen te worden terugbetaald;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na wijziging en aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, met een regeling voor de vakanties en feestdagen;
  • bepaling dat de man in verband met de echtelijke woning een vergoedingsrecht toekomt van 20% van de (verkoop)waarde van de echtelijke woning, althans dat de man in ieder geval een vergoedingsrecht toekomt van € 99.990,-;
  • vaststelling van de wijze van verdeling, als volgt:
- de woning conform het spoorboekje van de man;
- de inboedel wordt gelijkelijk naar waarde tussen partijen verdeeld;
- aan ieder der partijen wordt toegedeeld de op zijn respectievelijk haar naam staande bankrekeningen alsmede de saldi daarop onder verrekening van de helft van de saldi/waarde per peildatum;
- de bakfiets wordt toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding van een bedrag van € 1.120,- aan de man, te betalen binnen twee weken na de te geven beschikking;
- de hond wordt aan de man toegedeeld en de vogel aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
- bepaling dat ieder der partijen voor de helft draagplichtig is voor voldoening van de schuld aan de ouders van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
De ouders hebben geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven en vereist in artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Partijen hebben naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment niet mogelijk is om een door beide ouders akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Daarom zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. De rechtbank zal overeenkomstig beslissing, nu ook overigens niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Zorgregeling
De man en de vrouw hebben beiden een uitgebreid verzoek gedaan over hoe volgens hen de zorgregeling eruit zou moeten zien.
De rechtbank zal beslissen. Voor de reguliere regeling bepaalt de rechtbank dat de kinderen de ene week van donderdag uit school tot vrijdag 19.30 uur bij de vader zijn. In de andere week zijn zij van donderdag uit school tot maandagochtend bij de vader, waarbij geldt dat [minderjarige 3] het komende jaar nog op zondag om 19.30 uur thuis afgeleverd wordt door de vader.
Ten aanzien van de vakanties overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het over een aantal vakanties eens. De rechtbank zal conform beslissen. Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de zomervakantie. De rechtbank zal ook op dit punt de knoop doorhakken en bepalen dat de kinderen in de even jaren de eerste drie weken bij de man zijn, en in de oneven jaren de laatste drie weken. Hierbij geldt dat in 2026 voor [minderjarige 3] een andere regeling geldt, gelet op zijn leeftijd. [minderjarige 3] zal in de zomervakantie van 2026 de eerste week bij de vrouw zijn, de tweede en derde week bij de man, de vierde en vijfde week bij de vrouw en de zesde week bij de man. Partijen verzoeken beiden te bepalen dat een vakantieweek van zaterdag 10.00 uur tot zaterdag 10.00 uur duurt, de rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
De rechtbank constateert dat partijen het over de feestdagen ook deels eens zijn en zal conform beslissen. Voor de verjaardag van de ouders zal de rechtbank meegaan met het voorstel van de man, en bepalen dat de reguliere zorgregeling zal gelden. De rechtbank overweegt hiertoe dat [minderjarige 3] en de man de dagen na elkaar jarig zijn, en er anders altijd op een verjaardag gewisseld moet worden, en ook dat de verjaardag van de vrouw regelmatig in de herfstvakantie valt waar al een vakantieregeling geldt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om niet onnodig te wisselen. Voor het overige – Pasen, Pinksteren, Kerst en Sinterklaas – zal de rechtbank beslissen zoals vermeld onder ‘Beslissing’.
Voor het halen en brengen bepaalt de rechtbank, nu het wisselmoment op school zal zijn, dat de ouder bij de wie de kinderen zijn hen naar school brengt en daar brengt, waarbij geldt dat [minderjarige 3] door de ouder bij wie hij is naar de andere ouder wordt gebracht. In de vakanties brengt de ouder bij wie de kinderen zijn de kinderen naar de andere ouder.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De rechtbank zal eerst de ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie beoordelen.
De vrouw verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van het aanvullend verzoekschrift, te weten 12 juni 2025.
De man vindt het niet redelijk om met terugwerkende kracht een bedrag vast te stellen, omdat hij sinds de voorlopige voorzieningenprocedure al kinderalimentatie betaalt. Hij verzoekt daarom de datum beschikking als ingangsdatum.
De rechtbank zal de bijdrage van de man in de verzorging en opvoeding van de kinderen naar redelijkheid met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen, gelet op het feit dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is vastgesteld.
Behoefte
De rechtbank zal voor de behoefte van de kinderen aansluiten bij de berekening van de zijde van de vrouw, waaruit een (naar 2026 geïndexeerd) bedrag volgt van € 467,- per kind per maand, nu de man ter zitting heeft aangegeven met dat bedrag in te stemmen. De totale behoefte van de drie kinderen gezamenlijk is dan € 1.401,- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar ziektewetuitkering van € 373,- bruto per week, zoals volgt uit de door de vrouw overlegde uitkeringsspecificatie van 12 januari 2026. De rechtbank merkt hierbij op dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat het inkomen van de vrouw inmiddels is gestegen. De rechtbank zal ook niet vooruit lopen op de exacte mate van arbeidsongeschiktheid, maar rekent met de gegevens die nu beschikbaar zijn.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.228,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.228 – (668 + 1.365)] = € 136,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 52.165 bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgaaf 2025. Tussen partijen is in geschil of er met het door de man onbetaald opgenomen ouderschapsverlof, dat ook in de jaaropgaaf 2025 is verwerkt, rekening gehouden moet worden bij de draagkrachtberekening. De rechtbank overweegt dat zij het niet onredelijk vindt dat de man het ouderschapsverlof opneemt, omdat hij op dit moment voor [minderjarige 3] zorgt buiten de schooltijden. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] vindt de rechtbank het noodzakelijk dat de man er op deze momenten voor [minderjarige 3] is. De rechtbank zal daarom uitgaan van de jaaropgaaf 2025, waarin het opgenomen ouderschapsverlof is verwerkt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.351,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Door de man is ook verzocht om rekening te houden met een bedrag aan aflossing van een lening voor de verbouwing van het huis van partijen. De man betaalt hiervoor € 50,- per week en een keer per maand € 100,-. De vrouw is het daar niet mee eens en zij betwist de geldlening.
De rechtbank overweegt dat de vrouw de aflossing onvoldoende heeft betwist. Zij gaf eerst aan dat er geen lening bij de ouders van de man was, vervolgens dat er wel een verbouwing is geweest en dat daar geld voor geleend is. In het licht van de door de man onderbouwde stellingen is naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende vast komen te staan dat er geen lening was voor de verbouwing van het huis. Daarnaast is door de vrouw ook niet onderbouwd dat de aflossing door de man niet € 50,- per week met daarbij nog eens € 100,- per maand bedraagt. De rechtbank zal gelet op het voorgaande rekening houden met een aflossing van € 300,- per maand.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 300,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.351 – (1.005 + 1.365 + 300)] = € 477,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 613,- per maand (€ 136,- + € 477,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 788,- per maand. Dit tekort wordt aan beide partijen voor de helft toegerekend.
Zorgkorting
Partijen gaan in de door hen overgelegde berekeningen beiden uit van een zorgkortingspercentage van 35%. De rechtbank sluit zich hier bij aan. De zorgkorting bedraagt dan € 489,- per maand (35% van € 1.401,-).
De helft van het tekort van € 788,- per maand komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 95,- per maand
(€ 489,- – € 394,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man, met ingang van 26 februari 2026, te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 382,- per maand (€ 477,- – € 95,-). Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Vergoedingsrecht door schenking (onder uitsluiting)
De man heeft van zijn ouders een schenking ontvangen van € 100.000,-, waarvan € 99.990,- is gebruikt voor de aankoop van de echtelijke woning, aldus de man. De man heeft een schenkingsakte met uitsluitingsclausule overgelegd. Daarom bestaat een vergoedingsrecht op de gemeenschap ter waarde van € 99.990,-, of een vergoedingsrecht te bepalen op basis van de beleggingsleer.
De vrouw heeft bij verweer van 12 juni 2025, randnummer 14, genoemde schenking erkend: “
De overwaarde[van de eerdere woning van partijen]
bedroeg als toen € 299.259,--. Dit bedrag werd ingebracht door partijen bij de aankoop van hun huidige woning. Daarenboven werd door de ouders van de man een bedrag geschonken ad € 99.000,--. Bijgaand wordt als productie 11 een verklaring herkomst gelden die zelf betaald worden als bewijs daarvan overgelegd.” Dit standpunt heeft de vrouw noch in haar brief van 16 januari 2026, noch in de producties van 19 januari 2026 gewijzigd.
Ter zitting is zijdens de vrouw, zonder pleitnota, naar voren gebracht dat zij de stukken kort voor de zitting nog eens goed bekeken heeft en dat zij toen tot de conclusie kwam dat de schenking toch wordt betwist.
Zijdens de man is bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het standpunt, omdat dit standpunt eerst ter zitting kenbaar werd gemaakt en omdat het de vrouw zelf is geweest die de verklaring herkomst gelden heeft ingediend en de bankafschriften waaruit de door de ouders van de man gestorte bedragen blijken. Subsidiair is door de man expliciet een bewijsaanbod gedaan om aan te tonen dat de schenking onder uitsluiting is gedaan én is aangewend voor de aankoop van de echtelijke woning.
De rechtbank acht deze wijze van procesvoering van de vrouw, zoals ter zitting besproken, laakbaar en kwalificeert deze als een schending van de goede procesorde. De man mocht er gelet op de eerdere erkenning van de vrouw, met overlegging van stukken van haar zijde, van uitgaan dat op dit punt geen geschil meer bestond. De rechtbank oordeelt dat deze schending voor rekening dient te komen van de vrouw en zal geen aanhouding voor nadere bewijsvoering gelasten. Hierbij speelt een rol dat ter zitting niet geheel duidelijk is geworden waartegen de man zich zou dienen te verweren, te weten de schenking, de uitsluiting of de inbreng in de woning. De rechtbank laat de betwisting van de vrouw derhalve als tardief buiten beschouwing.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank constateert dat een schenkingsakte met uitsluitingsclausule is overgelegd, ondertekend op 15 augustus 2025. De rechtbank acht betreffende schenking niet te ver verwijderd van de overgemaakte bedragen op 27 en 28 december 2025, mede gelet op de toelichting door de man ter zitting dat de schenkingsakte en verklaring van gelden bij de notaris overlegd moesten worden ten tijde van de aankoop van de echtelijke woning en een dergelijk proces enige maanden kan duren. De rechtbank acht de inbreng van de schenking in de woning ook overigens voldoende aannemelijk.
Het voorgaande betekent dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap van 20% van de waarde van de woning heeft ten belope van € 108.000,00. De rechtbank zal conform beslissen.
Verdeling
Algehele gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, 6 december 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen naar voren gebracht:
Echtelijke woning aan [adres] met hypothecaire geldlening;
Bankrekeningen;
Inboedel en bakfiets;
Hond en vogel;
Schuld aan de ouders van de man en de moeder van de vrouw.
Ad. a. echtelijke woning
Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat het uitgangspunt bij de verdeling van de woning is dat de waarde van de woning € 540.000,- is. De man zal, volgens het in de beslissing opgenomen spoorboekje, de gelegenheid krijgen om aan te tonen dat hij de woning kan overnemen en de vrouw uit de hypothecaire verplichting kan ontslaan, en daarnaast de helft van de waarde (na aftrek van de hypotheek) kan voldoen aan de vrouw.
Gelet op het overwogene ten aanzien van de uitsluiting zal de rechtbank bepalen dat het vergoedingsrecht op grond van die schenking in mindering zal worden gebracht op het aandeel dat de vrouw van de man ontvangt voor de uitkoop van de woning.
Ad. b. bankrekeningen
Volgens de vrouw zijn er zes bankrekeningen op naam van de man, en een op naam van de vrouw. De saldi van deze rekeningen komt voor verdeling in aanmerking. Daarbij verzoekt de vrouw ook inzage in de bankrekeningen van de man van tenminste zes maanden voor de peildatum, omdat de vrouw denkt dat de man zijn saldi heeft verminderd in het zicht van de echtscheidingsprocedure.
De man is het eens met de door de vrouw genoemde bankrekeningen. Ieder van partijen kan de rekeningen op zijn/haar naam toebedeeld krijgen onder verdeling van de saldi per peildatum bij helfte. De man betwist de stelling van de vrouw dat hij gelden weggesluisd heeft. Hij vraagt zich af wat de grondslag is voor het verzoek van de vrouw om inzage te verschaffen. De man is echter wel bereid inzage te verschaffen, maar dan vindt hij dat de vrouw dat ook moet doen.
De rechtbank zal bepalen dat de man en de vrouw de rekeningen toebedeeld krijgen die op hun naam staan, onder verrekening van de saldi bij helfte per peildatum.
Ten aanzien van de stelling dat inzage moet worden verschaft in de bankrekeningen van de man van zes maanden voor de peildatum, begrijpt de rechtbank dat de vrouw doelt op artikel 1:164 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). De vrouw heeft verwezen naar een bankafschrift waaruit zou blijken dat kort voor de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding op de rekening van de man een groot bedrag (van ruim € 47.000,-) stond.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen, omdat onvoldoende duidelijk is geworden dat sprake is geweest van het wegmaken van gelden, in het bijzonder gelet op de betwisting van de man. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat op de door de vrouw overgelegde screenshot geen datum te zien is, en hieraan dus niet de conclusie kan worden verbonden die de vrouw daaraan verbindt.
Ad. c. inboedel en bakfiets
De vrouw wil dat de inboedel van de woning naar de man gaat tegen een financiële compensatie. Hetzelfde geldt voor de bakfiets, ook deze kan aan de man worden toebedeeld onder verrekening van de waarde.
De man is het eens met de toebedeling van de inboedel aan hem, maar is het niet eens met de door de vrouw gestelde waarde. Ten aanzien van de bakfiets is door de man naar voren gebracht dat hij het liefst wil dat deze aan de vrouw wordt toebedeeld.
De rechtbank zal bepalen dat zowel de bakfiets als de inboedel worden toebedeeld aan de man. De rechtbank stelt in redelijkheid vast dat de man hiervoor een vergoeding van
€ 4.000,- aan de vrouw moet voldoen.
Ad. d. hond en vogel
Op de zitting is het lot van de hond besproken. Beiden willen de hond. De rechtbank acht het redelijk dat de hond aan de vrouw wordt toevertrouwd, nu de man werkt en de kinderen de meeste tijd bij de vrouw doorbrengen.
De rechtbank heeft begrepen dat de vogel inmiddels overleden is. Zij beschouwt het verzoek ten aanzien van de vogel daarom als ingetrokken.
Ad. e. schuld bij de ouders van de man en de moeder van de vrouw
Door de man is naar voren gebracht dat partijen een schuld hebben bij zijn ouders, voor de verbouwing van de woning van partijen, waar zij beiden draagplichtig voor zijn. Door de vrouw is naar voren gebracht dat zij geld heeft geleend bij haar moeder ten behoeve van kosten van de huishouding. Dit geld moet als gemeenschapsschuld worden aangemerkt en door partijen samen betaald worden vindt de vrouw.
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Gelet op artikel 1:100 tweede Pro lid BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Partijen zijn dus beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden en zijn ieder in beginsel voor de helft draagplichtig voor het aflossen van deze schulden. De rechtbank wijst erop dat, als één van de partijen wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht heeft op de andere partij.
Kosten voor onderhoud
Door de man is aangevoerd dat er kosten gemaakt moeten worden voor gevelrenovatie,
€ 6.115,91, en ook kosten in verband met lekkage bij de echtelijke woning van € 3.780,25. Deze kosten zijn van na de peildatum, maar de vrouw heeft akkoord gegeven om de werkzaamheden te laten plaatsvinden. De vrouw heeft ook, samen met de man, een leningsovereenkomst ondertekend om de werkzaamheden te financieren. De man vindt daarom dat de kosten door partijen gedeeld dienen te worden. Het bedrag moet volgens de man in mindering worden gebracht op de overwaarde van de echtelijke woning.
De vrouw vindt dat deze kosten voor rekening van de man moeten komen, omdat onderhoudskosten onder de vaste lasten vallen. De man betaalt de hypotheek van de woning en ook de VVE-bijdrage. Uit die VVE-bijdrage zouden deze kosten voldaan moeten worden. Daarnaast is het de man die in de woning zal blijven, en heeft hij daarmee profijt van het onderhoud.
De rechtbank overweegt dat de door de man genoemde kosten zien op kosten van het onderhoud en de instandhouding van het gezamenlijk appartementsrecht. De vrouw is in beginsel gehouden haar aandeel daarin te dragen. Het uitgangspunt is hierbij dat partijen ieder voor de helft aansprakelijk zijn. Dat het kosten zijn van na de peildatum doet in dit geval niet af aan het feit dat partijen beiden aansprakelijk zijn, omdat de kosten betrekking hebben op de echtelijke woning die tot op heden van partijen samen is.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te
[plaats];
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats],
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats],
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats],
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarigen bij de man zullen zijn:
  • de ene week van donderdag uit school tot vrijdag 19.30 uur;
  • de andere week van donderdag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij geldt dat [minderjarige 3] tot één jaar na deze beschikking op zondagavond om 19.30 uur door de vader wordt thuisgebracht;
  • waarbij geldt dat als de wisselmomenten op school zijn de ouder bij wie de kinderen zijn hen naar school brengt en ophaalt, en als er geen school is de ouder bij wie de kinderen zijn ze naar de andere ouder brengt, [minderjarige 3] wordt door de ouder bij wie hij is naar de andere ouder gebracht;
*
bepaalt dat ten aanzien van de minderjarigen de volgende vakantie- en feestdagenregeling zal gelden:
  • voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
  • meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
  • zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de man, de laatste drie weken bij de vrouw, in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man, waarbij geldt dat [minderjarige 3] in de zomervakantie van 2026 in week 2, 3 en 6 bij de man is, en in week 1, 4 en 5 bij de vrouw;
  • herfstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
  • kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
  • verjaardag kinderen: reguliere zorgregeling;
  • Vaderdag: bij de man vanaf 17.00 uur de dag ervoor tot 19.00 uur op de betreffende dag als er volgens de reguliere zorgregeling gewisseld moet worden;
  • Moederdag: bij de vrouw vanaf 17.00 uur de dag ervoor tot 19.00 uur op de betreffende dag als er volgens de reguliere zorgregeling gewisseld moet worden;
  • verjaardag ouders: reguliere zorgregeling;
  • Pasen: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
  • Pinksteren: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;
  • Sinterklaas: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;
  • Eerste Kerstdag: altijd bij de man;
  • Tweede Kerstdag: altijd bij de vrouw;
  • waarbij geldt dat een vakantieweek van zaterdag 10.00 uur tot zaterdag 10.00 uur is;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 382,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt uit hoofde van een schenking bij uitsluiting na inbreng in de aankoopsom van de echtelijke woning ter waarde van € 108.000,00, welke som uit de gemeenschap zal worden voldaan in het kader van de overdracht van de echtelijke woning aan de man, danwel een derde;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
a. met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening en polissen:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) de man dient binnen twee maanden na de datum van deze beschikking aan te tonen dat hij de woning tegen de waarde van € 540.000,- kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit overeengekomen waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en het vergoedingsrecht van de man van € 108.000,-;
c) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht minus het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap van € 108.000,- en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
b. de bankrekeningen van de man zullen worden toegedeeld aan de man, de bankrekeningen van de vrouw zullen worden toegedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de saldi bij helfte per peildatum;
c. de inboedel en de bakfiets zullen worden toebedeeld aan de man, onder de verplichting een bedrag van € 4.000,- aan de vrouw te voldoen;
d. de hond wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
*
bepaalt dat ten aanzien van de schulden, waaronder de kosten van onderhoud aan de echtelijke woning, partijen in de onderlinge verhouding elk van hen voor de helft draagplichtig is en voor zijn/haar rekening dient te nemen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.