Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6988

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/678285 / FA RK 25-135
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling voor minderjarige in jeugdinstelling

De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te verkrijgen, de ontzegging van omgang op te heffen en een begeleide omgangsregeling vast te stellen. Tevens vroeg hij om een informatieregeling over de hulpverlening aan het kind. De moeder verzocht om ontzegging van omgang te handhaven, stellende dat omgang een te zware belasting zou vormen voor het kind.

De rechtbank oordeelde dat gezien de complexe situatie van het kind, dat momenteel in een jeugdinstelling verblijft, en het lopende onderzoek naar ondertoezichtstelling, het belang van het kind vereist dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt. De vader heeft onvoldoende actuele en verifieerbare bewijsstukken overlegd waaruit blijkt dat hij zijn hulpverleningstrajecten succesvol heeft afgerond.

Daarom is het niet in het belang van het kind om omgang te starten, ook niet begeleid. De rechtbank ontzegt de vader het recht op omgang. Wel wordt bepaald dat de moeder de vader binnen haar draagkracht informeert en toestemming geeft aan hulpverleners om de vader rechtstreeks te informeren over belangrijke ontwikkelingen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen.

Uitkomst: Verzoek vader tot gezamenlijk gezag en omgang met minderjarige wordt afgewezen; omgangsrecht wordt ontzegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-135
Zaaknummer: C/09/678285
Datum beschikking: 26 februari 2026

Omgang, gezag, en informatieregeling

Beschikking op het op 7 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het aanvullend verzoekschrift;
  • het verweerschrift tegen het aanvullend verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 23 januari 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 25 juni 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 15 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 22 januari 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
  • De minderjarige verblijft op dit moment in de jeugdinstelling [instelling] .
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2019 is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten en rapport uit te brengen, teneinde antwoord te krijgen op de vraag of omgang tussen [minderjarige] en de vader in het belang van [minderjarige] is, en zo ja door welke professional de omgang zou kunnen worden begeleid. Voorts zijn de ouders doorverwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan omgangsbegeleiding en is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. de omgang en de proceskosten aangehouden.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 21 januari 2021 zijn de verzoeken van de vader tot gezamenlijk gezag en het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen. Het verzoek van de moeder om de vader de omgang te ontzeggen is toegewezen.
  • Bij beschikking van het Gerechtshof van Den Haag van 10 november 2021 zijn de beschikkingen van 23 december 2019 en 21 januari 2021 bekrachtigd.
  • Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak van deze rechtbank van 22 juni 2023 zijn de verzoeken van de vader welke zien op de opheffing van de ontzegging van de omgang en het bepalen van begeleide omgang, afgewezen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader luidt
:
a. te bepalen dat de moeder de vader informeert over de voortgang van de hulpverlening bij [hulpverlener 1] , alsmede over de start, het verloop en de afronding van deze hulpverlening, althans dat de moeder de vader informeert over ingezette andere hulpverlening voor [minderjarige] en de moeder aan de hulpverleningsinstantie toestemming geeft de vader rechtstreeks te informeren over [minderjarige] , zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de moeder zich niet aan de in deze te wijzen beschikking zal houden, zulks met een maximum van € 10.000,-.
b. te bepalen dat de moeder de vader eenmaal per maand informeert over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] , inclusief de status van de hulpverlening, met toezending van foto's van [minderjarige] , zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de moeder zich niet aan de in deze te wijzen beschikking zal houden, zulks met een maximum van € 10.000,-.
te bepalen dat de ontzegging van de omgang zal worden opgeheven;
te bepalen dat de vader één keer in de week begeleide omgang zal hebben met [minderjarige] te begeleiden door [hulpverlener 2] of een andere hulpverleningsinstantie, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen omgangsregeling in een door de rechtbank in goed justitie vast te stellen frequentie bij een door de rechtbank in goede justitie te bepalen daartoe dienende instelling;
de vader in het vervolg mede te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
de hoofverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen;
althans een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een minderjarige, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:253c BW wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien: (a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kinderen. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van de minderjarige vereist dat één van de ouders met het gezag belast blijft.
Inhoudelijke beoordeling
Nu [minderjarige] in een jeugdinstelling is geplaatst en er een onderzoek van de Raad loopt naar de vraag of een ondertoezichtstelling aangewezen is, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderingsgeval. De rechtbank acht het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de moeder belast blijft met het eenhoofdig gezag. In het leven van [minderjarige] is momenteel zoveel gaande, dat een wijziging van het gezag naar het oordeel van de rechtbank tot extra onrust zou leiden, hetgeen niet in haar belang is.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat [minderjarige] en de vader elkaar nauwelijks kennen. De rechtbank acht de vader momenteel onvoldoende in staat om (gezamenlijk met de moeder) gezagsbeslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen.
Hoofdverblijfplaats
Tijdens de zitting heeft de vader zijn verzoek omtrent de hoofdverblijfplaats ingetrokken, zodat de rechtbank hier niets over hoeft te beslissen.
Omgang
Wettelijk kader en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:377e, tweede lid, van het BW kan de rechtbank op verzoek van een ouder een beslissing waarbij de omgang is ontzegd tevens wijzigen na verloop van een periode van een jaar nadat de eerdere beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Aangezien er meer dan een periode van een jaar is verstreken na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking van 21 januari 2021, is de vader ontvankelijk in zijn verzoek.
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. Op grond van artikel 1:377a, derde lid, BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouders of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft verzocht om (begeleide) omgang met [minderjarige] . De vader wil heel graag dat [minderjarige] hem leert kennen en dat hij een vaderrol kan vervullen in het leven van [minderjarige] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij in de afgelopen jaren intensief heeft gewerkt aan zijn persoonlijke problematiek en daarin een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. In dat kader heeft hij onder meer een behandeltraject bij De Waag afgerond, ondersteuning ontvangen van Humanitas en het traject bij de reclassering succesvol doorlopen. De betrokken hulpverlenende instanties hebben zich positief over de vader uitgelaten en aangegeven dat hij zich aan de gemaakte afspraken heeft gehouden en zich coöperatief heeft opgesteld tijdens de behandelingen. Gelet op deze ontwikkelingen is de vader van mening dat omgang thans niet langer in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Hij verzoekt de rechtbank daarom een regeling vast te stellen die voorziet in zeer beperkte, begeleide omgang, waarbij het contact zorgvuldig kan worden opgebouwd. De vader geeft daarbij aan dat hij [minderjarige] niet wil overvragen en dat het hem er in eerste instantie om gaat dat [minderjarige] hem leert kennen.
De moeder voert verweer en heeft op haar beurt verzocht om het recht van de vader op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij betwijfelt of de vader zijn behandeltrajecten daadwerkelijk en met positief resultaat heeft afgerond. Zijn stukken dateren namelijk uit 2022. Daarnaast stelt de moeder dat omgang met de vader, gelet op de huidige omstandigheden, een te zware belasting vormt voor de kwetsbare en nog prille ontwikkeling van [minderjarige] . Volgens de moeder brengt het belang van [minderjarige] mee dat op dit moment geen ruimte bestaat voor contactherstel. De moeder is dan ook van mening dat het belang van de vader bij het hebben van omgang dient te wijken voor het zwaarwegende belang van [minderjarige] bij rust, stabiliteit en een ongestoorde ontwikkeling.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het verleden van de vader is het, in het kader van de beoordeling van het omgangsverzoek, van wezenlijk belang vast te stellen of eventueel contact tussen de vader en [minderjarige] op een veilige en voor [minderjarige] onbelaste wijze kan plaatsvinden. Dit aspect is reeds aan de orde geweest in de beschikkingen van 21 januari 2021 en 10 november 2021. Zowel het hof als de rechtbank hebben destijds geoordeeld dat de vader eerst diende te werken aan zijn persoonlijke problematiek voordat kon worden gestart met begeleide omgang. Van de vader werd verwacht dat hij hulpverlening zou accepteren en daaraan actief zou meewerken.
De vader stelt nu dat hij verschillende hulpverleningstrajecten, waaronder bij De Waag, Humanitas en de reclassering, heeft afgerond en dat hij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De rechtbank stelt vast dat de vader ter onderbouwing van deze stelling uitsluitend stukken uit 2022 heeft overgelegd en dat deze stukken al eerder zijn ingediend en door de rechtbank zijn meegewogen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van
22 juni 2023 waarin het verzoek van de vader tot opheffing van de ontzegging van de omgang is afgewezen. Uit deze stukken blijkt bovendien niet dat de genoemde trajecten daadwerkelijk en met positief resultaat zijn afgerond. Integendeel, uit productie vier volgt dat de behandeling bij de GZ-psycholoog van De Waag nog ten minste een jaar zou voortduren. De vader heeft geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt of deze behandeling inmiddels is afgerond en, zo ja, met welk resultaat. De rechtbank stelt vast dat daarmee onvoldoende inzicht bestaat in de vraag of de vader een hulpverleningstraject (positief) heeft afgerond en of de gestelde behandeldoelen zijn behaald. Het lag op de weg van de vader om dit met actuele en verifieerbare stukken te onderbouwen. Nu de vader heeft nagelaten dit te doen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de noodzakelijke voorwaarden voor het opstarten van (begeleide) omgang zijn vervuld. Gelet hierop acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om (begeleide) omgang met de vader te starten. Het verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat er op dit moment grote zorgen zijn omtrent [minderjarige] en dat haar situatie als zeer complex moet worden aangemerkt. [minderjarige] is recent in een jeugdinstelling geplaatst, waarbij zelfs het contact tussen de moeder en [minderjarige] momenteel is beperkt tot twee uur per week. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] om op dit moment überhaupt te starten met (begeleide) omgang met de vader, zelfs indien zou komen vast te staan dat de vader zijn hulpverleningstrajecten (positief) heeft afgerond. Eerst dient de situatie rondom [minderjarige] tot rust te komen en voldoende stabiliteit te worden bereikt, voordat kan worden toegewerkt naar enig contactherstel.
De rechtbank benadrukt dat dit oordeel niet betekent dat, indien de situatie van [minderjarige] in de toekomst stabieler is, omgang mogelijk zou zijn zonder dat de vader aan zijn eigen problematiek heeft gewerkt. Onverminderd blijft gelden dat van de vader wordt verwacht dat hij zijn hulpverleningstrajecten afrondt en inzichtelijk maakt dat de gestelde behandeldoelen zijn behaald, voordat begeleide omgang aan de orde kan zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voldoende gronden om de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Het verzoek van de moeder zal dan ook worden toegewezen.
Informatieregeling
Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast onder meer gehouden de niet-gezagsouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige.
De vader stelt dat hij onvoldoende op de hoogte wordt gehouden van belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] . In het proces-verbaal van de mondeling uitspraak van 22 juni 2023 heeft de rechtbank uitdrukkelijk bepaald dat de moeder de vader, uitgebreider dan zij doet, dient te informeren over het verloop van de hulpverlening van [minderjarige] . Volgens de vader gebeurt dit niet. Zo was de vader bijvoorbeeld niet op de hoogte dat [minderjarige] in juli 2025 op een crisisplek is geplaatst. De moeder stuurt de vader wel maandelijkse berichten over [minderjarige] , maar deze berichten zijn volgens de vader vrij algemeen van aard en geven slechts een globale indicatie van hoe het met [minderjarige] gaat, zonder concrete informatie over belangrijke gebeurtenissen of ontwikkelingen in haar leven.
De vader heeft bij zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling aanvankelijk om oplegging van een dwangsom verzocht. Tijdens de zitting heeft hij het verzoek om een dwangsom echter ingetrokken. De vader heeft toegelicht dat hij destijds niet goed kon inschatten of het nalaten van het verstrekken van informatie van de moeder voortkwam uit onwil dan wel uit onmacht. Inmiddels begrijpt de vader dat het voor de moeder moeilijk is om hem volledig op de hoogte te houden, omdat zij daartoe onvoldoende draagkracht heeft. Desondanks wenst de vader alsnog geïnformeerd te worden over de situatie rondom [minderjarige] . Hij is van mening dat de betrokken hulpverleningsinstanties zelf contact met hem dienen op te nemen om hem te informeren over relevante ontwikkelingen.
De moeder voert verweer en stelt dat zij de vader informeert binnen de grenzen van wat voor haar haalbaar is omtrent alle ontwikkelingen van [minderjarige] . Zoals eerder vastgesteld is de draagkracht van moeder beperkt en dient bij het verstrekken van informatie rekening te worden gehouden met haar emotionele belastbaarheid. De moeder benadrukt dat zij zich maximaal inzet binnen de grenzen van wat voor haar haalbaar is. Helaas wordt van haar in dat opzicht meer verwacht dan zij daadwerkelijk kan bieden.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vader zo volledig mogelijk geïnformeerd wordt. De vader heeft recht op informatie over belangrijke ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] , en het is tevens van belang voor [minderjarige] dat de vader op de hoogte is van wat er in haar leven speelt. De rechtbank begrijpt daarom de wens van de vader om vollediger geïnformeerd te worden dan op dit moment het geval is.
Tijdens de zitting is gebleken dat de moeder de informatieregeling naleeft, maar dit doet binnen de grenzen van haar draagkracht. Vanwege haar beperkte emotionele draagkracht en belastbaarheid is het voor haar niet mogelijk om alle informatie volledig en systematisch via e-mail aan de vader te verstrekken. Om dit te ondervangen is tussen partijen afgesproken dat de moeder toestemming zal geven aan de betrokken hulpverlening om relevante informatie rechtstreeks aan de vader te verstrekken. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de hulpverlening deze taak adequaat zal uitvoeren, zodat de vader voortaan goed op de hoogte is van wat er speelt in het leven van [minderjarige] .
Tot slot merkt de rechtbank op dat zij ziet dat de moeder zich inspant om de vader op haar manier een rol in het leven van [minderjarige] te geven. Zo beantwoordt de moeder vragen van [minderjarige] over de vader, geeft zij cadeaus van de vader aan [minderjarige] en stuurt zij de vader foto’s van [minderjarige] . De rechtbank wil de moeder hiervoor complimenteren en benadrukt dat zij, in het belang van [minderjarige] , op deze wijze moet blijven handelen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken van de vader af;
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige [minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2026.