Eiseres werd op 29 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 8 januari 2025 opgeheven.
De rechtbank behandelde het beroep op 12 januari 2026 en richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Eiseres stelde dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit, omdat zij alleen een Engelstalige informatiefolder ontving terwijl zij Amhaars spreekt. De rechtbank oordeelde dat de informatie mondeling in het Amhaars was verstrekt met een tolk en dat eiseres tijdig beroep had ingesteld met rechtsbijstand, waardoor geen belangen zijn geschaad.
Verder betwistte eiseres enkele zware gronden voor de bewaring, maar de rechtbank vond de niet betwiste gronden en lichte gronden voldoende gemotiveerd en feitelijk juist. Ook het standpunt dat een lichter middel had moeten worden toegepast werd verworpen, omdat er een concreet risico op onttrekking aan toezicht bestond en eiseres niet meewerkte aan overdracht en vertrekgesprekken.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.