De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een persoon van Palestijnse afkomst die sinds 2021 in Nederland verblijft. De verzoeker heeft documenten overgelegd die zijn afkomst en verblijf in Syrië en Griekenland bevestigen. De Staat adviseerde het verzoek toe te wijzen.
De rechtbank onderzocht of verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden, Syrië of Griekenland kan worden beschouwd. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving en het feit dat verzoeker een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen bezit, maken het onwaarschijnlijk dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Verzoeker voldeed ook niet aan de vereisten voor naturalisatie in Griekenland.
Op basis van deze feiten stelde de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. De rechtbank wees het verzoek af om de gemeente te gelasten de nationaliteit in de Basisregistratie Personen te wijzigen, omdat een last tot inschrijving niet nodig is. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling gegeven en is op 25 februari 2026 uitgesproken.