AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, welke door de minister is afgewezen in een besluit van 15 oktober 2025. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, omdat zij haar onderdak dreigde te verliezen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en stelde vast dat verzoekster haar recht op opvang per 22 januari 2026 zou verliezen. De rechtbank vroeg nadere inlichtingen aan verzoekster en gaf de minister de gelegenheid om te reageren, maar de minister heeft geen standpunt ingenomen of de verstrekte informatie bestreden.
Gezien het ontbreken van verweer en de gevolgen van het besluit voor verzoekster, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. Het besluit van 15 oktober 2025 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoekster ter hoogte van € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de opvang is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 oktober 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt de voorzieningenrechter het besluit van 15 oktober 2025 te schorsen.
3. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Bij bericht van 23 december 2025 heeft verzoekster verzocht om het verzoek om voorlopige voorziening met spoed te behandelen omdat zij haar onderdak dreigt te verliezen. Verzoekster verblijft in een opvanglocatie van de Tussenvoorziening te Utrecht. Bij brief van 29 oktober 2025 heeft de Tussenvoorziening verzoekster aangezegd dat haar recht op opvang, als gevolg van het bestreden besluit van 15 oktober 2025, per 22 januari 2026 wordt beëindigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiermee het spoedeisend belang is gegeven.
5. Bij bericht van 7 januari 2026 heeft de rechtbank verzoekster om nadere inlichtingen gevraagd en de minister een termijn tot 12 januari 2026 om hierop te reageren. Bij bericht van 8 januari 2026 heeft verzoekster de gevraagde informatie verstrekt. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren, ook niet nadat de reactietermijn telefonisch is verlengd tot en met 14 januari 2026.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister de door verzoekster verstrekte inlichtingen niet heeft bestreden en ook overigens geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om een nader standpunt in te nemen, waarbij de voorzieningenrechter heeft gewezen op het bepaalde in artikel 8:31 vanPro de Awb. Gelet hierop en op de gestelde gevolgen die het bestreden besluit voor verzoekster heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 15 oktober 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8. Omdat het verzoek wordt toegewezen veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
schorst het besluit van 15 oktober 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.