ECLI:NL:RBDHA:2026:69

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
09-324267-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor onttrekking van een minderjarige aan het bevoegd opzicht van de William Schrikker stichting

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zijn minderjarige zoon onttrok aan het opzicht van de William Schrikker Stichting. De verdachte was zich bewust van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van zijn zoon, die op 10 oktober 2024 door de kinderrechter was uitgesproken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk zijn zoon heeft meegenomen naar Frankrijk, ondanks dat er een gerechtelijke uitspraak was die hem verplichtte om mee te werken aan de uithuisplaatsing. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet op de hoogte was van de uithuisplaatsing, maar de rechtbank oordeelde dat de verdachte aanwezig was tijdens de uitspraak en dat hij op de hoogte was van de situatie. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 180 uren. De rechtbank overwoog dat de verdachte in strijd met de belangen van zijn zoon had gehandeld en dat de ernst van het feit een passende straf vereiste.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-324267-24
Datum uitspraak: 6 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1958 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.J. Berghout naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2024 tot en met 11 oktober 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of Frankrijk, opzettelijk een minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die
minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 10 oktober 2024 tot en met 11 oktober 2024 zijn minderjarige zoon, [minderjarige] , heeft onttrokken aan het opzicht van de William Schrikker Stichting. Op 10 oktober 2024 is door de rechtbank immers een machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] uitgesproken en die machtiging moest door de William Schrikker stichting worden uitgevoerd. De verdachte heeft zijn minderjarige zoon vervolgens zonder toestemming van de William Schrikker Stichting meegenomen naar Frankrijk.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet op de hoogte was van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De verdediging wijst hiertoe op het gegeven dat de verdachte tijdens de uitspraak van de kinderrechter op 10 oktober 2024 onwel is geworden en naar het ziekenhuis is vervoerd. De verdachte was derhalve niet op de hoogte van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en heeft geen opzet gehad op het ten laste gelegde feit.
De rechtbank overweegt dat de kinderrechter de uithuisplaatsing op 10 oktober 2024 tijdens de zitting heeft uitgesproken. Blijkens het proces-verbaal van deze zitting was de verdachte aanwezig tijdens deze uitspraak. Pas
nahet uitspreken van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling is de uitspraak onderbroken vanwege de medische situatie van de verdachte. Daar komt bij dat de verdachte blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina 104 van het dossier door de politie is gebeld en dat aan hem is medegedeeld dat er een gerechtelijke uitspraak lag en dat de verdachte daaraan diende mee te werken. De verdachte heeft daarop geantwoord dat hij hieraan geen medewerking ging verlenen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit op ambtsedig opgemaakt proces-verbaal.
De rechtbank leidt uit bovenstaande omstandigheden af dat de verdachte op de hoogte was van de uitspraak van de kinderrechter en dat hij willens en wetens zijn minderjarige zoon heeft onttrokken aan het opzicht van de William Schrikker Stichting.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 10 oktober 2024 tot en met 11 oktober 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en Frankrijk, opzettelijk een minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in Nederland in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om, indien het feit bewezen wordt verklaard, een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen waarbij rekening wordt gehouden met het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, de dagen in Frankrijk daarbij opgeteld.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de onttrekking van een minderjarige aan het opzicht van de William Schrikker Stichting, door zijn minderjarige zoon mee te nemen naar Frankrijk. Hierdoor heeft de verdachte het de William Schrikker Stichting onmogelijk gemaakt het opzicht uit te oefenen. Daarbij heeft de verdachte in strijd met de belangen van zijn minderjarige zoon gehandeld en heeft hij zijn eigen belang boven het belang van zijn zoon geplaatst.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 november
2025, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dat zal de rechtbank noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte betrekken bij haar oordeel over de te bepalen straf.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 21 februari 2025. De psycholoog drs. G.J.W. Pol heeft bij de verdachte geen psychische stoornis vastgesteld. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er ten tijde van het ten laste gelegde sprake is geweest van een psychische stoornis. De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de psycholoog en ziet geen aanleiding om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 25 februari 2025, waaruit blijkt dat sprake is van geringe problematiek en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering ziet geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden en hem een gerichte behandeling aan te bieden.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 92 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank waardeert de aftrek in deze zaak op 28 dagen. Daartoe overweegt zij dat ook het aantal dagen dat de verdachte in Frankrijk heeft doorgebracht volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden meegenomen in de aftrek, omdat de verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) in hechtenis heeft gezeten. Daarmee heeft de verdachte het onvoorwaardelijke deel van deze straf reeds uitgezeten in voorlopige hechtenis.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 279 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (VIER) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 28 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
92 (TWEEENNEGENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.F.R. van Engelen, voorzitter,
mr. B.J. de Griend, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond en V. Grampon, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 januari 2026.
Bijlage I – gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in deze bijlage de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de pagina’s uit de volgende politiedossiers:
  • pagina’s uit het procesdossier PL1500-2024328942, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 181);
  • pagina’s uit het aanvullend pv RK met procesverbaal nummer 024328942, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 182 - 184);
  • pagina’s uit het aanvullende procesdossier met proces-verbaal nummer: PL1500-2024328942 van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 185-195);
1. Het proces-verbaal van aangifte van [naam] , opgemaakt op 10 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 10-11):
Ik doe namens de Willem Schrikker groep aangifte van ontvoering van [minderjarige] .
Op donderdag 10 oktober 2024 was er een zitting in de rechtbank van Den Haag, de zitting ging over een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Tijdens de zitting is de machtiging uit huisplaatsing uitgesproken door de rechter
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 101-102):
Op donderdag, 17 oktober 2024 om 12.40 uur verhoorde ik, in persoon, de getuige:
Voornamen: [getuige]
Achternaam: [getuige]
Geboortedatum: [geboortedatum 3] 1984
De getuige verklaarde:
Ik ben werkzaam als gezinsvoogd bij de William Schrikker Stichting. Ik ben sinds mei 2024 de gezinsvoogd van [minderjarige] , geboren [geboortedatum 2] 2015.
Vader was op de hoogte dat er op 10-10-2024 de machtiging tot uithuisplaatsing behandeld zou worden. Vader en moeder waren er allebei met een eigen advocaat.
3. Het geschrift, te weten de kennisgeving van de beslissing van de Kinderrechter van de rechtbank Den Haag gedateerd
10 oktober 2024:
betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2]
,
onder toezicht gesteld van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en
Jeugdreclassering van 15 oktober 2024 tot 1 mei 2025,
en William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gemachtigd om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 10 oktober 2024 tot 1 mei 2025.
4. Het geschrift, te weten een aanvullend proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden zitting van de kinderrechter van de rechtbank Den Haag gedateerd 10 oktober 2025 (p. 1 - 5):
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[verdachte] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.J. Zennipman te Den Haag,
Verschenen zijn:
- de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk;
Na het sluiten van het onderzoek heeft de kinderrechter in het bijzijn van de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, de Raad en de gecertificeerde instelling uitgesproken dat is voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing, zodat beide verzoeken worden toegewezen. De kinderrechter heeft vervolgens nader toegelicht waarom naast een ondertoezichtstelling ook een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is. Nadat de kinderrechter had toegelicht dat de vader en de moeder op dit moment onvoldoende in staat zijn om de zorg voor [minderjarige] te dragen en onvoldoende meewerken aan de hulpverlening, geeft de advocaat van de vader aan dat de vader last heeft van zijn hart. De kinderrechter heeft daarom de uitspraak onderbroken, de bedrijfshulpverleners opgeroepen, en heeft een ambulance laten bellen. In afwachting van de ambulance is de vader bijgestaan door de bedrijfshulpverleners. De kinderrechter, de griffier, de Raad en de gecertificeerde instelling hebben de zittingszaal verlaten om de hulpverleners alle ruimte te geven. De vader is vervolgens met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht en de moeder is met de vader meegegaan. De kinderrechter heeft de mondelinge uitspraak daarna hervat in het bijzijn van de advocaat van de vader, de advocaat van de moeder, de Raad en de gecertificeerde instelling.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 december 2025, voor zover inhoudende:
Ik weet nog dat de politie mij belde. Die agent heeft zich voorgesteld maar zijn naam kan ik mij niet meer herinneren. Hij vroeg waar [minderjarige] was. Ik zei dat hij bij mij was.
U, de voorzitter, houdt mij voor dat ik niet bestrijd dat ik met mijn zoon naar Frankrijk ben gegaan. Dat klopt.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 104-105):
Op donderdag 10 oktober 2024 omstreeks 15:30 uur bevond ik, verbalisant [verbalisant] , mij belast met Zorg en Veiligheid werkzaamheden in politie bureau Zuiderpark te Den Haag.
In overleg met de 2 medewerkers van de William Schrikker Stichting heb ik besloten om telefonisch met vader [verdachte] in gesprek te gaan teneinde hem te bewegen zich met zijn kind te komen melden aan het politiebureau dan wel de William Schrikker Stichting in de gelegenheid te stellen zich te kunnen ontfermen over kindje [minderjarige] .
Ik heb tevens aan vader [verdachte] vermeld dat wij een gerechtelijke uitspraak hadden waarin vermeld was dat de William Schrikker Stichting de uithuisplaatsing van [minderjarige] ten uitvoer moest brengen.
Vervolgens heb ik bij vader [verdachte] aangegeven dat hij verplicht was om mee te werken aangezien er een gerechtelijke uitspraak lag omtrent zijn zoontje [minderjarige] .