Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
09/081558-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel en bezit van heroïne en cocaïne, voorbereiding en witwassen

De rechtbank Den Haag heeft op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van bezit en handel in heroïne en cocaïne, voorbereidingshandelingen voor drugshandel en witwassen van een geldbedrag. Het onderzoek vond plaats op 10 maart 2026, waarbij de officier van justitie de tenlastelegging volledig bewezen achtte en de verdediging vrijspraak bepleitte.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onderschepte telefoongesprekken, getuigenverklaringen, observaties en vondsten bij doorzoeking van de woning van de verdachte. De verdachte werd geïdentificeerd als gebruiker van meerdere telefoonnummers die betrokken waren bij de drugshandel. Er werd vastgesteld dat hij 503,4 gram heroïne in bezit had, maar vrijgesproken van het bezit van cocaïne vanwege onvoldoende bewijs. Ook werd bewezen verklaard dat hij voorbereidingsmiddelen voor drugshandel bezat en €5.650 witwaste.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen binnen een drugsnetwerk. De strafmaat werd bepaald op 268 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest, vanwege de ernst van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden vijf inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard. De verdachte werd vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten waarvoor onvoldoende bewijs was.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 268 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor handel in heroïne en cocaïne, voorbereiding en witwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/081558-21
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Verheesen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Klein Molekamp, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
1) bezit van cocaïne en heroïne, al dan niet in vereniging gepleegd, op 23 maart 2021;
2) verhandelen dan wel bezit van cocaïne en heroïne, al dan niet in vereniging gepleegd, in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021;
3) voorbereidingshandelingen ter zake van de handel in verdovende middelen, al dan niet in vereniging gepleegd, op 23 maart 2021;
4) witwassen van een geldbedrag in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
De bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 2
Vanaf 1 oktober 2020 heeft de politie onderzoek verricht naar meerdere telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] ) en hierbij een grote hoeveelheid aan telefoongesprekken onderschept die volgens de politie op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De verdachte wordt als de gebruiker van de telefoonnummers aangemerkt. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de inhoud van de gesprekken niet voor het bewijs kunnen worden meegenomen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de veelal in het Marokkaans gevoerde gesprekken zijn vertaald door een beëdigd tolk of vertaler. De raadsman van de verdachte heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de identificatie van de verdachte als gebruiker van de telefoonnummers onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt het volgende.
Vertaling telefoongesprekken
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat de inhoud van de onderschepte telefoongesprekken van het bewijs moeten worden uitgesloten. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers maakt de politie uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten dat deze verplichting niet zou zijn nageleefd. De enkele stelling van de raadsman dat in het dossier niet staat dat de tolk die de telefoongesprekken heeft vertaald is beëdigd, is hiertoe onvoldoende. De verdediging heeft bovendien niet gespecificeerd en onderbouwd wat er in de telefoongesprekken niet goed zou zijn vertaald.
Gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] , [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 3]
Bij een fouillering van de verdachte, volgend op een (andere) aanhouding op 5 maart 2021, zijn twee telefoons aangetroffen die gebruik maakten van de telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] (dual sim) en [telefoonnummer 6] . Daarnaast is een telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] aangetroffen bij het bed waar de verdachte op het moment van de aanhouding op 23 maart 2021 in sliep. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte de gebruiker van deze telefoonnummers is geweest.
Over de telefoonnummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 6] hebben getuigen verklaard dat deze aan een dealer toebehoren en dat zij van deze dealer verdovende middelen hebben afgenomen. Daarnaast heeft een van deze getuigen verklaard dat ook het telefoonnummer [telefoonnummer 3] in zijn telefoon staat. Ten aanzien van alle vier de telefoonnummers bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verkocht, afgeleverd en verstrekt.
Gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]
De politie heeft gesprekken van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] onderschept en aan de hand van de inhoud en tijdstippen van een aantal gevoerde gesprekken kunnen afleiden waar de gebruiker van het telefoonnummer – die door tegencontacten ook wel ‘ [bijnaam 1] ’ wordt genoemd – zich op die momenten vermoedelijk bevond. Vervolgens zijn camerabeelden bekeken die aansluiten op de inhoud en tijdstippen van die gesprekken. Hierop zijn momenten vastgelegd waarop de beller – de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] – is te zien. Uit een analyse van die camerabeelden heeft de politie het uiterlijk van de gebruiker kunnen vaststellen. Deze persoon is hierna meerdere dagen door de politie geobserveerd en daaruit is gebleken dat de persoon met behulp van een sleutel de woning aan het adres [adres] betrad. Verder is uit de zendmastgegevens met betrekking tot het telefoonnummer gebleken dat in de nachtelijke uren het meest gebruik is gemaakt van twee basisstations die beiden de woning aan de [adres] binnen hun bereik hebben. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] een bewoner van de woning aan de [adres] moet zijn.
Op 23 maart 2021 is de verdachte in de woning aan de [adres] aangehouden. Op dat moment lag de verdachte in de woning te slapen, er was niemand anders in de woning aanwezig en naast het bed (waarin de verdachte sliep) is een sleutelbos met daaraan de sleutel van de voordeur van de woning aangetroffen. Zowel de eigenaar van de woning als zijn neef hebben verklaard dat er tijdelijk een kennis, ene ‘ [bijnaam 1] ’ in de woning verbleef en dat de woning verder niet bewoond werd.
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de enige bewoner van de woning aan de [adres] was en dat hij dus de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] was. Dat een ander dan de verdachte in die periode van de woning gebruik heeft gemaakt, is niet aannemelijk geworden.
Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verwerkt, verkocht, afgeleverd en verstrekt.
Gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1]
De politie heeft ook het telefoonnummer [telefoonnummer 1] auditief geobserveerd. Toen dit telefoonnummer niet meer werd gebruikt, ontstond het vermoeden dat de gebruiker ervan gebruik is gaan maken van het (hiervoor genoemde) telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ten eerste heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de periode van 29 september 2020 tot en met 29 november 2020 zeer vaak – 237 keer – contact gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 7] en daarna helemaal niet meer. In een periode daarna – 10 december tot en met 17 december 2020 – heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 7] regelmatig contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , waar voorheen geen contact mee is geweest. Ten tweede is aan de hand van onderschepte gesprekken de stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] met de stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] vergeleken. Daaruit is gebleken dat de stemmen zeer gelijkend zijn en daarom is het aannemelijk dat dezelfde persoon de gebruiker van de nummers is. Ten derde is uit de historische belgegevens van beide telefoonnummers gebleken dat hun contacten nagenoeg identiek waren.
De rechtbank concludeert op grond van de voornoemde omstandigheden dat de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] ook de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] was. Aangezien de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] is geweest, volgt de conclusie dat de verdachte ook de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] is geweest.
Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verkocht, afgeleverd en verstrekt.
Getuige [getuige 1] verklaart dat hij een of twee keer per week cocaïne kocht en herkent verdachte als degene bij wie hij dat kocht. Hoewel hij bij de rechter-commissaris zegt hem niet voor 100% te herkennen, is hij bij de politie stelliger en legt hij wel het verband met het gebruikte telefoonnummer. Getuige [getuige 2] herkent verdachte ook als ene [bijnaam 2] , bij wie hij drugs kocht. Die drugs waren wit, maar hij wist niet wat het voor drugs waren. De ontkenning dat hij cocaïne kocht, is in het licht van de overige omstandigheden uit het dossier, waaronder de tapgesprekken, onvoldoende om de verklaring niet voor het bewijs te gebruiken.
Conclusie
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van de telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] ) was en dat uit de inhoud van gesprekken met betrekking tot deze telefoonnummers kan worden afgeleid dat de verdachte in de tenlastegelegde periode heroïne en cocaïne heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd en verstrekt. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de inhoud van (een aantal van) de gesprekken af dat de verdachte regelmatig met dezelfde telefooncontacten, waaronder de medeverdachte [medeverdachte] , gesprekken heeft gevoerd over het verstrekken van verdovende middelen. De rechtbank ziet hierin een enigszins gestructureerd (drugs)netwerk met vaste tussenpersonen, die de verdovende middelen (vermoedelijk aan gebruikers) zullen doorverkopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij het handelen van de verdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die als medeplegen valt aan te merken.
Ten aanzien van feit 1, 3 en 4
Bij de aanhouding van de verdachte op 23 maart 2021, is de woning aan de [adres] doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn verdovende middelen, een aanzienlijke hoeveelheid contant geld en andere voorwerpen, die verband kunnen houden met de handel in verdovende middelen, aangetroffen. Het aanwezig dan wel voorhanden hebben van deze voorwerpen is onder de feiten 1, 3 en 4 ten laste gelegd.
Aanwezig hebben van verdovende middelen (feit 1)
Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan. De rechtbank heeft reeds overwogen dat de verdachte een sleutel van de woning had, dat hij in de woning verbleef en dat het niet aannemelijk is geworden dat een ander dan de verdachte op dat moment de woning bewoonde. Deze omstandigheden, in combinatie met de hiervoor ten aanzien van feit 2 genoemde feiten en omstandigheden waaruit is gebleken dat de verdachte in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. De verdovende middelen bevonden zich dan ook in de machtssfeer van de verdachte en hij had wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen. De rechtbank acht daarom feit 1 bewezen.
De rechtbank zal bewezen verklaren dat de verdachte 503,4 gram heroïne aanwezig heeft gehad. Deze hoeveelheid is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) getest en hiervan is vastgesteld dat dit heroïne betreft. Andere aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat het daadwerkelijk om de verdovende middelen gaat. In lijn met het voorstel van de officier van justitie zal de rechtbank de verdachte daarom (partieel) vrijspreken van het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 100,1 gram cocaïne.
De rechtbank zal de verdachte ook vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met ander(en) is gepleegd.
Voorbereidingshandelingen ter zake van de handel in verdovende middelen (feit 3)
Vast staat dat in de woning ook een dealertelefoon en weegschaaltje zijn aangetroffen. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, waaruit is gebleken dat de verdachte als enige van de woning gebruik maakte en in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, concludeert de rechtbank dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van deze voorwerpen in de woning en dat deze voorwerpen ertoe waren bestemd om de handel in verdovende middelen voor te bereiden en te bevorderen. De rechtbank acht dan ook feit 3 bewezen voor zover het betreft het – in het kader van de voorbereiding van drugshandel – voorhanden hebben van voornoemde voorwerpen.
De rechtbank zal de verdachte ook vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen., nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met ander(en) is gepleegd
Witwassen (feit 4)
Vast staat tenslotte dat in de woning een contant geldbedrag van € 5.650,- is aangetroffen. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen, zoals aan de verdachte ten laste is gelegd, is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het betreffende voorwerp – in dit geval het aangetroffen geldbedrag – afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in deze zaak van dien aard zijn dat hiermee een gerechtvaardigd vermoeden is dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte werd er immers van verdacht – en de rechtbank acht inmiddels ook bewezen – dat hij zich met de handel in verdovende middelen heeft beziggehouden, wat het vermoeden dat het geld uit illegale bron afkomstig is, versterkt. Van de verdachte mag dus worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geld.
Ter terechtzitting heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en dus geen verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Gelet hierop en de hiervoor gedane vaststelling dat de verdachte bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, oordeelt de rechtbank dat het geldbedrag uit die handel – en dus uit enig eigen misdrijf – afkomstig is en dat de verdachte dit wist. De rechtbank acht hierom bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (eenvoudig) witwassen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 23 maart 2021 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad
503,4gram heroïne;
2
hij in de periode 1 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, opzettelijk heeft verwerkt
,verkocht
,afgeleverd
,verstrekt en vervoerd,
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne; en
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne;
3
hij op 23 maart 2021 te 's-Gravenhage, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken
envervoeren van:
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne; en
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;
voor te bereiden en te bevorderen:
- een dealertelefoon; en
- weegapparatuur;
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
4
hij in de periode 1 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021 te 's-Gravenhage een geldbedrag van 5.650 euro heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om, in geval van een veroordeling, bij de strafoplegging rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn, de omstandigheid dat de verdachte sinds 2021 niet meer met justitie in aanraking is gekomen en de tijd die reeds door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van heroïne, het verhandelen van zowel cocaïne als heroïne, het voorbereiden van de handel in verdovende middelen en het witwassen van een groot geldbedrag. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van de daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd. Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen een schadelijke en verslavende werking voor de gebruikers daarvan kunnen hebben.
Daarnaast heeft witwassen een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert het de onderliggende criminaliteit en levert het een aantasting op van de legale economie.
De verdachte heeft, door het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten, hieraan bijgedragen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 februari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder voor Opiumwetfeiten is veroordeeld.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan bedraagt 24 maanden. In dit geval is de termijn aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 23 maart 2021 en is de termijn op het moment van de einduitspraak dus met drie jaar overschreden.
Eendaadse samenloop
De rechtbank weegt verder mee dat ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 sprake is van eendaadse samenloop.
De op te leggen straf
In beginsel is in deze zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden. Met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt zou niet kunnen zijn volstaan.
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank echter een gevangenisstraf van 268 dagen opleggen, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht. Dat komt neer op een straf conform voorarrest.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 5 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen ingenomen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen door middel van strafbare feiten zijn verkregen dan wel met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 47, 55, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:
De eendaadse samenloop van
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3:
om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 4:
eenvoudig witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
268 (TWEEHONDERDACHTENZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 268 (tweehonderdachtenzestig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genoemde voorwerpen, te weten: (1) 1 STK telefoontoestel, (2) 1 STK telefoontoestel, (3) 1 STK telefoontoestel, (4) 1 STK telefoontoestel, (5) EUR 5.650,-.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 23 maart 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- (ongeveer) 578,1 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne [ [adres] ]; en/of
- (ongeveer) 100,1 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne [ [adres] ];
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode 1 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne; en/of
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne;
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 23 maart 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van:
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne; en/of
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne;
(telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen:
- een (dealer)telefoon; en/of
- bruine (versnijdings)substantie; en/of
- witte (versnijdings)substantie; en/of
- verpakkingsmaterialen; en/of
- weegapparatuur; en/of
- beslagkom; en/of
- blender [e.e.a. [adres] ];
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
4
hij in of omstreeks de periode 1 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 5.650 euro [ [adres] ], heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.
Bijlage II
Beslaglijst
[wordt apart aan papieren vonnis gehecht]