3.4.Bewijsoverwegingen
Vanaf 15 januari 2021 heeft de politie onderzoek verricht naar meerdere telefoonnummers (waaronder [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ) en hierbij een grote hoeveelheid aan telefoongesprekken onderschept die volgens de politie op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De verdachte wordt als de gebruiker van de telefoonnummers aangemerkt. De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat deze identificatie onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt het volgende.
Gebruiker van [telefoonnummer 1]
Het dossier bevat meerdere onderschepte telefoongesprekken van [telefoonnummer 1] die erop wijzen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker van dit telefoonnummer was. Ten eerste wordt de gebruiker van het telefoonnummer in een sms-bericht met “ [voornaam] ” – de voornaam van de verdachte – aangesproken. Ten tweede heeft de gebruiker in een sms-bericht om zijn DigiD-gegevens gevraagd, waarop wordt gereageerd met het bericht “ [bericht] ”. Deze reactie bevat de eerste vijf letters van de achternaam van de verdachte en zijn geboortejaar. Ten derde wordt door de gebruiker van het telefoonnummer benoemd dat zijn broer een café heeft waar shisha kan worden gerookt en is uit gemeentelijke gegevens gebleken dat de verdachte twee broers heeft die beiden eigenaar zijn van een shishacafé. De naam van één van deze broers – [naam 1] – wordt door de gebruiker van het telefoonnummer ook in een ander gesprek genoemd. In dat gesprek wordt de gebruiker van het telefoonnummer gevraagd of zijn ouders al terug zijn uit [land] , waarop hij antwoordt dat [naam 1] alleen is teruggekomen en zijn ouders nog daar zijn. Ten vierde heeft de gebruiker van het telefoonnummer in een gesprek benoemd dat hij vroeger een auto van het merk Toyota had en inmiddels een “Golf 4” heeft. Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) is gebleken dat tot 9 juli 2019 een Toyota op naam van de verdachte was geregistreerd en sinds 20 juni 2019 een Volkswagen Golf. Ten vijfde wordt de gebruiker in een gesprek als “ [bijnaam 1] ” aangesproken en is gebleken dat de verdachte kaal is. Ten zesde is uit de zendmastgegevens met betrekking tot het telefoonnummer gebleken dat het thuisstation waarvan het telefoonnummer gebruik maakte het woonadres van de verdachte binnen zijn bereik heeft.
Gelet op al deze aanwijzingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer was.
Gebruiker van [telefoonnummer 2]
De verdachte zou ook de gebruiker van het [telefoonnummer 2] zijn geweest. Ter terechtzitting is dit door de verdachte ontkend.
In de woning waar de verdachte op 23 maart 2021 werd aangehouden, is een telefoon met dit telefoonnummer aangetroffen. Deze telefoon is aangetroffen op de salontafel en de verdachte zat hiernaast op de bank. Uit onderzoek naar de inhoud van de telefoon is gebleken dat aan de telefoon het e-mailadres “ [e-mailadres] ” is gekoppeld en dat de gebruiker van het telefoonnummer zich in een gesprek aan een ander heeft voorgesteld als “ [bijnaam 2] ”. Uit het dossier kan worden afgeleid dat “ [bijnaam 3] ” een bijnaam van de verdachte is en reeds is benoemd dat de verdachte kaal is. Daarnaast wordt er in een gesprek over de [straatnaam 1] gesproken. In de woning op [huisnummer] van deze straat zijn een grote hoeveelheid harddrugs en andere aan de handel in drugs te relateren voorwerpen aangetroffen (zie hierna bij feiten 1 en 4). Uit het dossier is gebleken dat de verdachte meermaals bij deze woning heeft afgesproken met derden.
Gelet op al deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van het [telefoonnummer 2] was.
Conclusie
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van de telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ) was. Ten aanzien van beide telefoonnummers bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd. De rechtbank volgt de raadsman van de verdachte niet in zijn betoog dat de onderschepte gesprekken alleen bewijzen dat er over handel is gesproken, maar er geen bewijsmiddelen zijn dat de verdachte ook daadwerkelijk verdovende middelen heeft verkocht en geleverd. De rechtbank verwijst in verband naar hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van feit 3, maar ook uit hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van feiten 1 en 4. Daarnaast is in de woning van de verdachte aan de [adres 2] te Den Haag een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen (€ 15.287,50), welk bedrag is betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voor welk bedrag de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uit legale bron afkomstig is. Een en ander in onderling verband en samenhang bekeken is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake geweest van gesprekken over de handel in drugs, maar heeft die handel ook daadwerkelijk plaatsgevonden. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de inhoud van (een aantal van) de gesprekken af dat de verdachte regelmatig met dezelfde telefooncontacten, waaronder de [medeverdachte] , gesprekken heeft gevoerd over het verstrekken van verdovende middelen. De rechtbank ziet hierin een enigszins gestructureerd (drugs)netwerk met vaste tussenpersonen, die de verdovende middelen (vermoedelijk aan gebruikers) zullen doorverkopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij het handelen van de verdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die als medeplegen valt aan te merken.
Op 19 maart 2021 is door de politie geobserveerd dat de verdachte op de [straatnaam 2] te Den Haag een ontmoeting had met [naam 2] . Na deze ontmoeting is [naam 2] met de auto vertrokken, waarna hij door de politie is staandegehouden en in de kofferbak van de auto een taxibord met daarin verdovende middelen is aangetroffen. De verdachte wordt verweten de verdovende middelen aan [naam 2] te hebben overgedragen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat er inderdaad sprake was van een ontmoeting tussen hem en [naam 2] , maar dit was volgens hem enkel om [naam 2] in en uit de woning aan het adres [adres 3] te begeleiden. In de woning zou [naam 2] een afspraak met anderen hebben gehad en de verdachte zou geen weet hebben van de aard of inhoud van deze afspraak. De rechtbank verwerpt dit door de verdachte geopperde alternatieve scenario en overweegt hiertoe als volgt.
Op camerabeelden van de lift van het wooncomplex aan de [straatnaam 2] is te zien dat de verdachte en [naam 2] contact met elkaar hebben en dat [naam 2] hierbij op het taxibord – waar niet veel later de verdovende middelen in zijn aangetroffen – tikte. Daarnaast is op zowel 4 maart als 8 maart 2021 geobserveerd dat de verdachte over de sleutel van de centrale toegangsdeur van het wooncomplex beschikte. Verder is op 19 maart 2021 geobserveerd dat de verdachte om 15:25 uur, kort voor de ontmoeting met [naam 2] , de woning aan de [adres 3] met gebruik van de sleutel binnen gaat. In de woning aan de [adres 3] zijn op 23 maart 2021 verdovende middelen gevonden, onder meer in een dressoir met een verborgen ruimte. Daarop zijn op verschillende plekken vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen. De uitleg van de verdachte dat hij slechts tijdelijk over de toegangssleutel beschikte en dat zijn vingerafdrukken op de kast terecht zouden zijn gekomen doordat hij de bewoners van de woning maanden eerder had geholpen met verhuizen, acht de rechtbank gelet op het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig. Verder blijft ook onverklaard waarom hij een paar dagen ervoor de sleutel zou hebben gekregen om de deur te openen, terwijl er op het moment zelf anderen in de woning aanwezig waren. Daarbij komt dat de verdachte geen concrete of verifieerbare gegevens over de identiteit van de naar zijn zeggen eigenlijke bewoners van de woning aan de [adres 3] heeft verschaft, aan de hand waarvan het alternatieve scenario van de verdachte nader zou kunnen worden onderzocht.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte verdovende middelen aan [naam 2] heeft afgeleverd en verstrekt.
De rechtbank zal bij de bewezenverklaring ervan uitgaan dat in het taxibord 734,4 gram cocaïne was verstopt, omdat dat het gewicht is wat het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft vastgesteld.
Ten aanzien van feiten 1 en 4
Op 23 maart 2021 zijn in de woningen aan de [adres 3] , [adres 4] en [adres 2] te Den Haag doorzoekingen verricht. Bij deze doorzoekingen zijn verdovende middelen dan wel andere voorwerpen, die verband kunnen houden met de handel in verdovende middelen, aangetroffen. Het aanwezig dan wel voorhanden hebben van deze middelen dan wel voorwerpen is onder de feiten 1 en 4 ten laste gelegd.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.
[adres 3]
De rechtbank heeft reeds overwogen dat de verdachte over de sleutel van de woning aan de [adres 3] beschikte, dat hij het wooncomplex waartoe de woning behoorde meermaals heeft betreden en dat zijn vingerafdrukken zijn aangetroffen op de kast met verborgen ruimte waarin verdovende midden zijn aangetroffen. Verder is het niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte van de woning gebruik maakte. Deze omstandigheden, in combinatie met de hiervoor ten aanzien van feit 2 genoemde feiten en omstandigheden waaruit is gebleken dat de verdachte in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen verdovende middelen en andere voorwerpen die naar hun aard op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De rechtbank acht het onder feit 1 en 4 ten laste gelegde dan ook bewezen, voor zover dit op de woning aan de [adres 3] betrekking heeft.
De rechtbank zal hierbij bewezen verklaren dat de verdachte 993,8 gram cocaïne en 1.559,6 gram heroïne aanwezig heeft gehad, omdat dat hetgeen is wat het NFI heeft vastgesteld. Andere in de woning aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat deze daadwerkelijk verdovende middelen zijn.
[adres 4]
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zo nu en dan de woning aan de [adres 4] heeft bezocht, maar enkel omdat hij bij de bewoner – [naam 3] – op visite kwam. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Uit telefoongesprekken met het [telefoonnummer 1] – waarvan de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat de verdachte hiervan de gebruiker was – kan worden afgeleid dat afnemers van verdovende middelen meermaals naar de woning werden gestuurd. Verder heeft [naam 3] verklaard dat hij zijn woning aan anderen ter beschikking stelde in ruil voor geld. Deze omstandigheden, in combinatie met de hiervoor ten aanzien van feit 2 genoemde feiten en omstandigheden waaruit is gebleken dat de verdachte in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen verdovende middelen en andere voorwerpen die naar hun aard op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De rechtbank acht het onder feit 1 en 4 ten laste gelegde dan ook bewezen, voor zover dit op de woning aan de [adres 4] betrekking heeft. Daarnaast zal de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen verklaren, omdat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam 3] .
De rechtbank zal hierbij bewezen verklaren dat de verdachte 846 gram heroïne aanwezig heeft gehad, omdat dat hetgeen is wat het NFI heeft vastgesteld. Andere in de woning aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat deze daadwerkelijk verdovende middelen zijn.
[adres 2]
Bij de doorzoeking aan de [adres 2] is 10,5 gram aan vermoedelijk heroïne aangetroffen. Deze substantie is echter niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat dit daadwerkelijk een verdovend middel betreft. De rechtbank zal de verdachte daarom – in lijn met de vordering van de officier van justitie – partieel van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken, voor zover dit op de woning aan de [adres 2] betrekking heeft.