Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6889

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
09/081584-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit, handel en voorbereiding van cocaïne en heroïne

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het bezit, de handel en het voorbereiden van handel in cocaïne en heroïne. Uit onderschepte telefoongesprekken, observaties en doorzoekingen blijkt dat verdachte betrokken was bij een drugsnetwerk en meerdere stashplekken beheerde.

De rechtbank concludeerde dat verdachte medepleger was in de handel en het bezit van grote hoeveelheden harddrugs, waaronder ruim 2 kilogram heroïne en ruim 1,5 kilogram cocaïne. Verdachte werd ook veroordeeld voor het voorbereiden van drugshandel met behulp van verpakkingsmaterialen en drugspers.

De strafmaat is vastgesteld op 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de ondermijnende werking van de drugshandel en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf (waarvan 180 dagen voorwaardelijk) en 240 uur taakstraf voor bezit, handel en voorbereiding van cocaïne en heroïne.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/081584-21
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Verheesen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. G.S.J. van Gestel, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
1) bezit van cocaïne en heroïne, al dan niet in vereniging gepleegd, op 23 maart 2021;
2) verhandelen dan wel bezit van cocaïne en heroïne, al dan niet in vereniging gepleegd, in de periode van 16 november 2020 tot en met 23 maart 2021;
3) verhandelen dan wel bezit van cocaïne op 19 maart 2021;
4) voorbereidingshandelingen met betrekking tot een Opiumwetdelict, al dan niet in vereniging gepleegd, op 23 maart 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
De bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 2
Vanaf 15 januari 2021 heeft de politie onderzoek verricht naar meerdere telefoonnummers (waaronder [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ) en hierbij een grote hoeveelheid aan telefoongesprekken onderschept die volgens de politie op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De verdachte wordt als de gebruiker van de telefoonnummers aangemerkt. De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat deze identificatie onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt het volgende.
Gebruiker van [telefoonnummer 1]
Het dossier bevat meerdere onderschepte telefoongesprekken van [telefoonnummer 1] die erop wijzen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker van dit telefoonnummer was. Ten eerste wordt de gebruiker van het telefoonnummer in een sms-bericht met “ [voornaam] ” – de voornaam van de verdachte – aangesproken. Ten tweede heeft de gebruiker in een sms-bericht om zijn DigiD-gegevens gevraagd, waarop wordt gereageerd met het bericht “ [bericht] ”. Deze reactie bevat de eerste vijf letters van de achternaam van de verdachte en zijn geboortejaar. Ten derde wordt door de gebruiker van het telefoonnummer benoemd dat zijn broer een café heeft waar shisha kan worden gerookt en is uit gemeentelijke gegevens gebleken dat de verdachte twee broers heeft die beiden eigenaar zijn van een shishacafé. De naam van één van deze broers – [naam 1] – wordt door de gebruiker van het telefoonnummer ook in een ander gesprek genoemd. In dat gesprek wordt de gebruiker van het telefoonnummer gevraagd of zijn ouders al terug zijn uit [land] , waarop hij antwoordt dat [naam 1] alleen is teruggekomen en zijn ouders nog daar zijn. Ten vierde heeft de gebruiker van het telefoonnummer in een gesprek benoemd dat hij vroeger een auto van het merk Toyota had en inmiddels een “Golf 4” heeft. Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) is gebleken dat tot 9 juli 2019 een Toyota op naam van de verdachte was geregistreerd en sinds 20 juni 2019 een Volkswagen Golf. Ten vijfde wordt de gebruiker in een gesprek als “ [bijnaam 1] ” aangesproken en is gebleken dat de verdachte kaal is. Ten zesde is uit de zendmastgegevens met betrekking tot het telefoonnummer gebleken dat het thuisstation waarvan het telefoonnummer gebruik maakte het woonadres van de verdachte binnen zijn bereik heeft.
Gelet op al deze aanwijzingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer was.
Gebruiker van [telefoonnummer 2]
De verdachte zou ook de gebruiker van het [telefoonnummer 2] zijn geweest. Ter terechtzitting is dit door de verdachte ontkend.
In de woning waar de verdachte op 23 maart 2021 werd aangehouden, is een telefoon met dit telefoonnummer aangetroffen. Deze telefoon is aangetroffen op de salontafel en de verdachte zat hiernaast op de bank. Uit onderzoek naar de inhoud van de telefoon is gebleken dat aan de telefoon het e-mailadres “ [e-mailadres] ” is gekoppeld en dat de gebruiker van het telefoonnummer zich in een gesprek aan een ander heeft voorgesteld als “ [bijnaam 2] ”. Uit het dossier kan worden afgeleid dat “ [bijnaam 3] ” een bijnaam van de verdachte is en reeds is benoemd dat de verdachte kaal is. Daarnaast wordt er in een gesprek over de [straatnaam 1] gesproken. In de woning op [huisnummer] van deze straat zijn een grote hoeveelheid harddrugs en andere aan de handel in drugs te relateren voorwerpen aangetroffen (zie hierna bij feiten 1 en 4). Uit het dossier is gebleken dat de verdachte meermaals bij deze woning heeft afgesproken met derden.
Gelet op al deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van het [telefoonnummer 2] was.
Conclusie
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van de telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ) was. Ten aanzien van beide telefoonnummers bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd. De rechtbank volgt de raadsman van de verdachte niet in zijn betoog dat de onderschepte gesprekken alleen bewijzen dat er over handel is gesproken, maar er geen bewijsmiddelen zijn dat de verdachte ook daadwerkelijk verdovende middelen heeft verkocht en geleverd. De rechtbank verwijst in verband naar hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van feit 3, maar ook uit hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van feiten 1 en 4. Daarnaast is in de woning van de verdachte aan de [adres 2] te Den Haag een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen (€ 15.287,50), welk bedrag is betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voor welk bedrag de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uit legale bron afkomstig is. Een en ander in onderling verband en samenhang bekeken is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake geweest van gesprekken over de handel in drugs, maar heeft die handel ook daadwerkelijk plaatsgevonden. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de inhoud van (een aantal van) de gesprekken af dat de verdachte regelmatig met dezelfde telefooncontacten, waaronder de [medeverdachte] , gesprekken heeft gevoerd over het verstrekken van verdovende middelen. De rechtbank ziet hierin een enigszins gestructureerd (drugs)netwerk met vaste tussenpersonen, die de verdovende middelen (vermoedelijk aan gebruikers) zullen doorverkopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij het handelen van de verdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die als medeplegen valt aan te merken.
Ten aanzien van feit 3
Op 19 maart 2021 is door de politie geobserveerd dat de verdachte op de [straatnaam 2] te Den Haag een ontmoeting had met [naam 2] . Na deze ontmoeting is [naam 2] met de auto vertrokken, waarna hij door de politie is staandegehouden en in de kofferbak van de auto een taxibord met daarin verdovende middelen is aangetroffen. De verdachte wordt verweten de verdovende middelen aan [naam 2] te hebben overgedragen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat er inderdaad sprake was van een ontmoeting tussen hem en [naam 2] , maar dit was volgens hem enkel om [naam 2] in en uit de woning aan het adres [adres 3] te begeleiden. In de woning zou [naam 2] een afspraak met anderen hebben gehad en de verdachte zou geen weet hebben van de aard of inhoud van deze afspraak. De rechtbank verwerpt dit door de verdachte geopperde alternatieve scenario en overweegt hiertoe als volgt.
Op camerabeelden van de lift van het wooncomplex aan de [straatnaam 2] is te zien dat de verdachte en [naam 2] contact met elkaar hebben en dat [naam 2] hierbij op het taxibord – waar niet veel later de verdovende middelen in zijn aangetroffen – tikte. Daarnaast is op zowel 4 maart als 8 maart 2021 geobserveerd dat de verdachte over de sleutel van de centrale toegangsdeur van het wooncomplex beschikte. Verder is op 19 maart 2021 geobserveerd dat de verdachte om 15:25 uur, kort voor de ontmoeting met [naam 2] , de woning aan de [adres 3] met gebruik van de sleutel binnen gaat. In de woning aan de [adres 3] zijn op 23 maart 2021 verdovende middelen gevonden, onder meer in een dressoir met een verborgen ruimte. Daarop zijn op verschillende plekken vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen. De uitleg van de verdachte dat hij slechts tijdelijk over de toegangssleutel beschikte en dat zijn vingerafdrukken op de kast terecht zouden zijn gekomen doordat hij de bewoners van de woning maanden eerder had geholpen met verhuizen, acht de rechtbank gelet op het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig. Verder blijft ook onverklaard waarom hij een paar dagen ervoor de sleutel zou hebben gekregen om de deur te openen, terwijl er op het moment zelf anderen in de woning aanwezig waren. Daarbij komt dat de verdachte geen concrete of verifieerbare gegevens over de identiteit van de naar zijn zeggen eigenlijke bewoners van de woning aan de [adres 3] heeft verschaft, aan de hand waarvan het alternatieve scenario van de verdachte nader zou kunnen worden onderzocht.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte verdovende middelen aan [naam 2] heeft afgeleverd en verstrekt.
De rechtbank zal bij de bewezenverklaring ervan uitgaan dat in het taxibord 734,4 gram cocaïne was verstopt, omdat dat het gewicht is wat het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft vastgesteld.
Ten aanzien van feiten 1 en 4
Op 23 maart 2021 zijn in de woningen aan de [adres 3] , [adres 4] en [adres 2] te Den Haag doorzoekingen verricht. Bij deze doorzoekingen zijn verdovende middelen dan wel andere voorwerpen, die verband kunnen houden met de handel in verdovende middelen, aangetroffen. Het aanwezig dan wel voorhanden hebben van deze middelen dan wel voorwerpen is onder de feiten 1 en 4 ten laste gelegd.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.
[adres 3]
De rechtbank heeft reeds overwogen dat de verdachte over de sleutel van de woning aan de [adres 3] beschikte, dat hij het wooncomplex waartoe de woning behoorde meermaals heeft betreden en dat zijn vingerafdrukken zijn aangetroffen op de kast met verborgen ruimte waarin verdovende midden zijn aangetroffen. Verder is het niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte van de woning gebruik maakte. Deze omstandigheden, in combinatie met de hiervoor ten aanzien van feit 2 genoemde feiten en omstandigheden waaruit is gebleken dat de verdachte in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen verdovende middelen en andere voorwerpen die naar hun aard op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De rechtbank acht het onder feit 1 en 4 ten laste gelegde dan ook bewezen, voor zover dit op de woning aan de [adres 3] betrekking heeft.
De rechtbank zal hierbij bewezen verklaren dat de verdachte 993,8 gram cocaïne en 1.559,6 gram heroïne aanwezig heeft gehad, omdat dat hetgeen is wat het NFI heeft vastgesteld. Andere in de woning aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat deze daadwerkelijk verdovende middelen zijn.
[adres 4]
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zo nu en dan de woning aan de [adres 4] heeft bezocht, maar enkel omdat hij bij de bewoner – [naam 3] – op visite kwam. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Uit telefoongesprekken met het [telefoonnummer 1] – waarvan de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat de verdachte hiervan de gebruiker was – kan worden afgeleid dat afnemers van verdovende middelen meermaals naar de woning werden gestuurd. Verder heeft [naam 3] verklaard dat hij zijn woning aan anderen ter beschikking stelde in ruil voor geld. Deze omstandigheden, in combinatie met de hiervoor ten aanzien van feit 2 genoemde feiten en omstandigheden waaruit is gebleken dat de verdachte in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen verdovende middelen en andere voorwerpen die naar hun aard op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De rechtbank acht het onder feit 1 en 4 ten laste gelegde dan ook bewezen, voor zover dit op de woning aan de [adres 4] betrekking heeft. Daarnaast zal de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen verklaren, omdat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam 3] .
De rechtbank zal hierbij bewezen verklaren dat de verdachte 846 gram heroïne aanwezig heeft gehad, omdat dat hetgeen is wat het NFI heeft vastgesteld. Andere in de woning aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat deze daadwerkelijk verdovende middelen zijn.
[adres 2]
Bij de doorzoeking aan de [adres 2] is 10,5 gram aan vermoedelijk heroïne aangetroffen. Deze substantie is echter niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat dit daadwerkelijk een verdovend middel betreft. De rechtbank zal de verdachte daarom – in lijn met de vordering van de officier van justitie – partieel van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken, voor zover dit op de woning aan de [adres 2] betrekking heeft.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 23 maart 2021 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- 993,8 gram heroïne [ [adres 3] ]; en
- 2405,6 gram cocaïne [ [adres 3] ];
- 846 gram heroïne[ [adres 4] ];
2
hij in de periode
15 januari 2021tot en met 23 maart 2021 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht
,afgeleverd
,verstrekt en vervoerd
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne; en
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;
3
hij op 19 maart 2021 te Den Haag opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt
734,4gram cocaïne;
4
hij op omstreeks 23 maart 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken
envervoeren van:
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne; en
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;
voor te bereiden:
- bruine versnijdingssubstantie; en
- witte versnijdingssubstantie; en
- verpakkingsmaterialen (polyzakken); en
- weegapparatuur; en
- een drugspers; en
- stempels voor een drugspers; en
- een beslagkom; en
- een blender; en
- een geldtelmachine en
- een dressoirkast met een verborgen ruimte; en
- een bankstel met een verborgen ruimte
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om, in geval van een veroordeling, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, aan de verdachte op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en verhandelen van zowel cocaïne als heroïne en het voorbereiden van de handel in verdovende middelen. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. De grootschalige handel in verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van de daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld vaak niet geschuwd. Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen een schadelijke en verslavende werking voor de gebruikers daarvan kunnen hebben.
De verdachte heeft, door het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten, hieraan bijgedragen.
Verdachte heeft verschillende soorten drugs voorhanden gehad en op verschillende adressen, waarbij de woning aan de [straatnaam 2] met de verborgen ruimte in het dressoir geduid moet worden als een afzonderlijke stashplek, waarover verdachte de beschikking had. De transactie aan de [straatnaam 2] toont verder dat hij hoeveelheden drugs levert die aanzienlijk groter zijn dan gebruikershoeveelheden. In organisatorisch opzicht is hij meer dan een straatdealer en in elk geval een tussenpersoon.
De verdachte heeft, door het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten, hieraan bijgedragen.
Ten aanzien van het voorhanden hebben van de drugs (feit 1) en de voorbereidingshandelingen (feit 4) is sprake van eendaadse samenloop.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan bedraagt 24 maanden. In dit geval is de termijn aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 23 maart 2021 en is de termijn op het moment van de einduitspraak dus met drie jaar overschreden.
De op te leggen straf
De rechtbank acht voor de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zestien maanden passend en geboden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank echter opleggen een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan het voorarrest. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de
Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de
Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
365 (DRIEHONDERDVIJFENZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 185 (honderdvijfentachtig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
180 (honderdtachtig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 23 maart 2021 te 's-Gravenhagetezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- (ongeveer) 2182,4 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne [ [adres 3] ]; en/of
- (ongeveer) 1594,4 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne [ [adres 3] ]; en/of
- (ongeveer) 860,1 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne [ [adres 4] ]; en/of
- (ongeveer) 18,7 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne [ [adres 4] ]; en/of
- (ongeveer) 10,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne [ [adres 2] ];
zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode 16 november 2020 tot en met 23 maart 2021 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne; en/of
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne;
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 19 maart 2021 te Den Haag opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- (ongeveer) 800 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne [transactie [naam 2] ];
zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij op of omstreeks 23 maart 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van:
- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne; en/of
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne;
(telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen:
- bruine (versnijdings)substantie; en/of
- witte (versnijdings)substantie; en/of
- verpakkingsmaterialen (polyzakken); en/of
- weegapparatuur; en/of
- een drugspers; en/of
- stempels voor een drugspers; en/of
- een beslagkom; en/of
- een blender; en/of
- een geldtelmachine [e.e.a. [adres 4] ] en/of
- een dressoirkast met een verborgen ruimte; en/of
- een bankstel met een verborgen ruimte [ [adres 3] ].
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).
Bijlage II
Beslaglijst
[wordt apart aan papieren vonnis gehecht]