ECLI:NL:RBDHA:2026:6872

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL26.15559
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 VwArt. 8 TerugkeerrichtlijnArt. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 11 februari 2026 door de minister van Asiel en Migratie aan hem is opgelegd. Hij betoogt dat zijn identiteit en nationaliteit inmiddels zijn vastgesteld en dat de maatregel niet langer gerechtvaardigd is, mede omdat zijn asielaanvraag op 25 februari 2026 is afgewezen. Tevens stelt eiser dat het voortduren van de bewaring disproportioneel is en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychosomatische en depressieve klachten.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, en dat eiser deze grondslag niet heeft betwist. De verzwaarde belangenafweging van verweerder is voldoende gemotiveerd en houdt rekening met eerdere uitspraken en de lopende procedures omtrent het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. De rechtbank ziet geen nieuwe feiten die een andere belangenafweging rechtvaardigen.

Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht geen lichter middel heeft overwogen, omdat eiser geen medische stukken heeft overgelegd die detentieongeschiktheid aantonen. De aanwezige medische zorg in het detentiecentrum is toereikend, en eiser kan verzoeken om overplaatsing naar een regulier ziekenhuis.

De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15559

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Verweerder heeft op 11 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 februari 2026.
Verzoek om een zitting dan wel telehoren
4. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om een zitting ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
Grondslag van de maatregel
5. Eiser voert aan dat zijn identiteit en nationaliteit zijn bevestigd na het verstrekken van de LP door de Marokkaanse autoriteiten. De grond van de maatregel dat eisers identiteit en nationaliteit niet kunnen worden vastgesteld, kan het voortduren van de maatregel daarom niet langer dragen. Ook is de zware grond dat de maatregel noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van eisers asielaanvraag [3] niet van toepassing na de afwijzing van eisers asielaanvraag op 25 februari 2026.
6. De rechtbank merkt op dat eiser deze eerste grond eerder heeft aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 februari 2026. [4] De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 4 van deze uitspraak. Verder overweegt verweerder in het verweerschrift terecht dat aan eiser een maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en onder c, van de Vw. In haar uitspraak van 20 februari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats reeds geoordeeld dat de maatregel van bewaring op beide grondslagen, dus ook de c-grondslag, gebaseerd kon worden. Eiser heeft onbetwist gelaten dat de maatregel van bewaring kan voortduren op grond van artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw.
Verzwaarde belangenafweging
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het voortduren van de maatregel niet proportioneel is, ondeugdelijk gemotiveerd is en geen blijk geeft van een redelijke belangenafweging. [5] Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die verweerder niet bij de belangenafweging heeft betrokken. Omdat zicht op uitzetting geen strikte voorwaarde is voor bewaring op deze grondslag, dient de beoordeling van minder dwingende alternatieven uiterst strikt en actueel plaats te vinden. Eiser heeft een langdurige binding met Spanje en beschikt aldaar over een reëel verblijfsalternatief. Eiser beroept zich op de ‘illegalenregeling 2026’ in Spanje, welke ruimte biedt voor legalisering van schrijnende gevallen in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Eiser heeft een voorlopige voorziening ingediend teneinde opschorting of intrekking van het terugkeerbesluit en de SIS-signalering te bewerkstelligen en is bereid om zich, onder voorwaarden, naar Spanje te begeven.
8. Verweerder heeft in het voortgangsrapportage een verzwaarde belangenafweging opgenomen die voldoende gemotiveerd in het nadeel van eiser is uitgevallen. Voor zover eiser zich beroept op zijn gestelde verblijfsalternatief in Spanje merkt de rechtbank op dat eiser ook deze grond in zijn eerste beroep al heeft aangevoerd. Hiervoor verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 8 van de uitspraak van 20 februari 2026. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat – omdat tot op heden niet is beslist op eisers verzoek om opheffing/opschorting van de SIS-signalering en het terugkeerbesluit – niet valt in te zien dat dit de maatregel van bewaring beïnvloedt. Dit is door eiser ook niet nader gemotiveerd. Anders dan eiser stelt, volgt de rechtbank daarom niet dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die ten onrechte door verweerder niet bij de verzwaarde belangenafweging zijn betrokken.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft overwogen gelet op de diverse psychosomatische en depressieve klachten die eiser ondervindt vanwege zijn langdurige detentie. [6]
10. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij detentieongeschikt is, noch heeft hij op een andere wijze zijn medische klachten onderbouwd. Daarnaast is in het detentiecentrum medische zorg aanwezig waar eiser een beroep op kan doen. Indien volgens eiser in het detentiecentrum onvoldoende zorg kan worden gegeven, kan hij bij de directie van het detentiecentrum een verzoek indienen om te worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis.
Ambtshalve toets
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2026:3405.
3.Zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2026:3405.
5.Eiser verwijst in dit kader naar artikel 8, vierde lid en artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Ook verwijst eiser naar artikel 3, artikel 5 en Pro artikel 8 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
6.Eiser verwijst hiervoor naar het rapport van oktober 2023 van Pharos: vreemdelingendetentie en gezondheid kennisdocument.