ECLI:NL:RBDHA:2026:684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63018
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 15 juli 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van de bewaring tot het sluiten van het onderzoek bevestigd.

In deze procedure richtte de beoordeling zich op de periode na het sluiten van dat onderzoek. Eiser stelde dat verweerder geen belangenafweging had gemaakt, omdat het kopje 'belangenafweging' in de voortgangsrapportage blanco was gelaten. De rechtbank oordeelde echter dat de verzwaarde belangenafweging wel concreet was gemotiveerd en dat eiser geen stappen had ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen of zijn vertrek te bevorderen.

De rechtbank concludeerde dat het belang van verweerder bij het voortduren van de maatregel zwaarder woog dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Ook ambtshalve toetsing aan Europese jurisprudentie en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63018

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 30 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 december 2025 (in de zaak NL25.58694) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

Belangenafweging

3. Eiser voert aan dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt, nu in de voortgangsrapportage (de ‘M120’) het kopje ‘belangenafweging’ blanco is gelaten. Eiser meent dat verweerder zich bij een verzwaarde belangenafweging niet kan beroepen op de initiële gronden van de inbewaringstelling om de voortduring daarvan te rechtvaardigen. Verweerder had hem dan ook in vrijheid moeten stellen.
4. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vreemdelingenwet stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren indien de uitzetting meer tijd zal vergen omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting. In voornoemde uitspraak van 17 december 2025 heeft de rechtbank onder 5. al geoordeeld dat verweerder in zijn verzwaarde belangenafweging van 4 november 2025 voldoende concreet heeft gemaakt waarom deze niet in het voordeel van eiser kon uitvallen. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser geen enkele actie heeft ondernomen om stukken te bemachtigen ter staving van zijn identiteit en nationaliteit. Dat het kopje ‘belangenafweging’ in de M120 blanco is gelaten doet niets af aan de kenbare belangenafweging die verweerder onder het kopje ‘verzwaarde belangenafweging’ heeft opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat eiser in de te toetsen periode wel stappen heeft ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen of om zijn vertrek te bewerkstelligen. Daarnaast blijkt uit het verslag van het laatste vertrekgesprek van 5 december 2025 dat eiser heeft toegezegd actief contact op te nemen met mensen en organisaties die hem zouden kunnen helpen zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen en dat hij dit vervolgens niet heeft gedaan. Gelet op het voorgaande en zoals al overwogen in voornoemde uitspraak van 17 december 2025 heeft verweerder, anders dan eiser stelt, niet slechts verwezen naar de initiële gronden van bewaring.
5. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.