De minister heeft op 15 december 2025 de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen, omdat Duitsland volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 24 maart 2026 behandeld, waarbij ook een tolk aanwezig was.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, waardoor een voorlopige voorziening niet meer nodig was.
De voorzieningenrechter heeft de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 934,-, omdat het verzoekschrift door de gemachtigde van verzoekers is ingediend.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, en de uitspraak is op 26 maart 2026 openbaar gemaakt.