ECLI:NL:RBDHA:2026:678
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag van Turkse eiser met beroep tegen terugkeerbesluit
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026, wordt het beroep van een Turkse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser, die op 8 september 2025 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel indiende, kreeg op 10 november 2025 te horen dat zijn aanvraag als kennelijk ongegrond was afgewezen. De rechtbank beoordeelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft eerder asiel aangevraagd, maar zijn aanvraag werd ingetrokken. Hij stelt dat hij in Turkije bedreigd wordt door criminelen en dat hij onterecht in de gevangenis heeft gezeten. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, betwist de geloofwaardigheid van eisers verklaringen en stelt dat hij onvoldoende bewijs heeft geleverd om zijn vrees voor vervolging te onderbouwen. De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onveilig is in Turkije en dat verweerder terecht de asielaanvraag heeft afgewezen. De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.