Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685607 / FA RK 25-3811
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens afwezigheid vader

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen het gezag over het kind uitgeoefend. De minderjarige woont bij de moeder. De vader woont in het buitenland en heeft sinds de geboorte nauwelijks een rol gespeeld in het leven van het kind.

De communicatie tussen ouders verloopt moeizaam en de vader is slecht bereikbaar. Er is slechts sporadisch videobelcontact, uitsluitend op initiatief van de moeder. De vader heeft ingestemd met het verzoek om het gezag te wijzigen. De rechtbank stelt vast dat het in het belang van het kind is dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt toegewezen, omdat de vader feitelijk geen invulling geeft aan zijn gezagstaken.

De rechtbank wijzigt de eerdere beschikking en verklaart de wijziging uitvoerbaar bij voorraad. Hiermee wordt het gezamenlijk gezag beëindigd en wordt de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

Uitkomst: De rechtbank kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en beëindigt het gezamenlijk gezag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3811
Zaaknummer: C/09/685607
Datum beschikking: 24 februari 2026

Gezag

Beschikking op het op 21 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.E. Oud te Zaanstad.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 23 mei 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 29 oktober 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder thans verzoekt haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats], een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2023 tot [datum 2] 2025.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats].
- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2025 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant inclusief ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.

Beoordeling

Gezag
Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien de omstandigheden zijn gewijzigd. Ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De moeder heeft onweersproken gesteld dat de vader sinds de geboorte van [minderjarige] nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld in het leven van [minderjarige]. De vader woont in [land] en toont geen interesse in [minderjarige] en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding. Er is slechts sporadisch sprake van videobelcontact, en dit vindt uitsluitend plaats op initiatief van de moeder.
Daarnaast verloopt de communicatie tussen de moeder en de vader moeizaam. De vader is slecht bereikbaar, niet alleen vanwege zijn verblijf in [land], maar ook doordat hij veelal pas na weken – of in het geheel niet – reageert op berichten van de moeder. De moeder vreest dat zij in de toekomst bij het nemen van gezagsbeslissingen zal worden belemmerd door de vader. Om die reden heeft zij de vader verzocht zijn medewerking te verlenen voor het wijzigen van het gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig gezag bij de moeder. De vader heeft met dit verzoek ingestemd, zoals blijkt uit productie 7 van het verzoekschrift.
Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat de vader – gelet op de door de moeder overgelegde instemmingsverklaring – niet langer uitoefening wenst te geven aan zijn gezagstaken. De moeder heeft daarnaast onweersproken gesteld dat de vader feitelijk geen invulling geeft aan het gezag en geen tot slechts sporadisch (videobel)contact heeft met [minderjarige]. Daarnaast woont de vader in [land] en is hij vaak niet bereikbaar voor overleg over [minderjarige].
Gezien het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de moeder toewijzen.

BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2025 en het daarbij aangehechte convenant inclusief ouderschapsplan –:

bepaalt dat voortaan alleen aan [de moeder] geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats], het gezag zal toekomen over de [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2026.