Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/09/652935 / FA RK 23-6234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sub b Brussel II-terArt. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 1:151 BWArt. 4 lid 3 onder b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksvermogen onder Nederlands recht

De rechtbank Den Haag heeft op 24 februari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, beiden met de Nederlandse nationaliteit en woonachtig in het buitenland. De rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van verzoeken over gezag en zorgregeling voor de kinderen vanwege het internationale karakter en het feit dat de kinderen nooit in Nederland hebben gewoond.

De rechtbank bepaalt dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld op €876,- per maand, gebaseerd op een redelijke behoefte van de kinderen en een gelijke verdeling van de kosten tussen de ouders, waarbij het Indiaas recht van toepassing is. Het verzoek tot partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Met betrekking tot het huwelijksvermogen is het Nederlands recht van toepassing. De rechtbank wijst de verzoeken van de man af om het huwelijksvermogen naar Indiaas recht te verdelen. De rechtbank legt de verdeling van onroerend goed, bankrekeningen en aandelen vast, waarbij onder meer het appartement in Nederland aan de man wordt toegedeeld en het appartement met hypotheek aan de vrouw. Tevens wordt de wettelijke pensioenverevening opgelegd. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, kinderalimentatie vastgesteld, partneralimentatie afgewezen, huwelijksvermogen verdeeld onder Nederlands recht en pensioenverevening gelast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 23-6234 (echtscheiding) en FA RK 24-1945 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/652935 (echtscheiding) en C/09/663172 (verdeling)
Datum beschikking: 24 februari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 28 augustus 2023 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
als niet ingezetene ingeschreven in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI), wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
als niet ingezetene ingeschreven in de RNI,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.J.I. Kroezen te Amsterdam .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 3;
  • het bericht van 21 september 2023, met bijlage (betekeningsexploot) van de vrouw;
  • het bericht van 26 oktober 2023 van de vrouw;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen 1 t/m 18 van 16 januari
2024 van de man;
- het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen 7 t/m 14 en 16 t/m
20, van 12 maart 2024 van de vrouw;
  • het bericht van 1 juli 2025 van de man;
  • het bericht van 2 juli 2025 van de vrouw;
  • de brief van 29 december 2025, met bijlagen 19 t/m 31, inhoudende aanvullende
verzoeken van de man;
- het bericht van 30 december 2025, met bijlage (aanvulling op bijlage 14), van de
man;
- de brief van 31 december 2025, met bijlagen 6, (opnieuw) 7, 15, 23 t/m 46 van de
vrouw;
- het bericht van 9 januari 2026, met bijlagen 47 t/m 50, van de vrouw.
Op 13 januari 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw (digitaal) bijgestaan door haar advocaat en een tolk en de man bijgestaan door zijn advocaat en een tolk.
Door de advocaat van de man en door de advocaat van de vrouw zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] ( [land 1] ).
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ;
o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
  • Uit de Basisregistratie personen (Brp) blijkt dat partijen de Nederlandse nationaliteit hebben. De kinderen hebben ook de Nederlandse nationaliteit.
  • In de Brp is opgenomen dat partijen op 31 maart 2021 zijn geëmigreerd naar [land 1] .
  • Deze rechtbank heeft op 22 november 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat de man aan de vrouw met ingang van 11 oktober 2023 voorlopig een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 846,- per maand per kind zal betalen. Het verzoek om een voorlopige partneralimentatie is afgewezen.
  • Bij beschikking van 16 september 2025 is het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige kinderalimentatie afgewezen.
  • De kinderen verblijven bij de vrouw.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – na wijziging – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
de echtscheiding uit te spreken;
te bepalen dat de man € 3.282,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als
bijdrage in de kosten van de kinderen;
te bepalen dat de man maandelijks, vanaf de datum waarop het huwelijk van
partijen zal zijn ontbonden, bij vooruitbetaling een bedrag van € 3.000,- netto aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in haar levensonderhoud;
de verdeling van de gemeenschap van goederen te gelasten althans de verdeling
vast te stellen zodanig dat de vermogensbestanddelen op haar naam aan haar worden toegedeeld en dat de vermogensbestanddelen op naam van de man aan hem worden toegedeeld en de man te veroordelen om binnen twee weken na de ten dezen te wijzen beschikking, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de vrouw een bedrag te voldoen gelijk aan de helft van het bedrag waarmee de man is overbedeeld, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
te verklaren voor recht dat partijen dienen over te gaan tot verevening van
pensioenaanspraken op grond van de Wet verevening pensioen bij scheiding, alsmede de man te gelasten om uiterlijk vier weken voor de nader te bepalen zitting documenten (onder andere de pensioenbrief of -brieven) over te leggen waaruit blijkt bij wie en gedurende welke periode hij aanspraken op ouderdomspensioen heeft opgebouwd;
de man te gelasten om informatie over te leggen aan de hand waarvan de vrouw
kan vaststellen of zij jegens buitenlandse en Nederlandse uitkeringsorganen aanspraak kan maken op partnerpensioen opgebouwd tot de ontbinding van het huwelijk, alsmede om hem te gebieden om op eerste verzoek van de vrouw zijn medewerking te verlenen aan het afwikkelen van alle formaliteiten die eventueel nodig zijn om deze aanspraken geldend te maken.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hierbij verzoekt de man na wijziging zelfstandig:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, waarbij tevens “wreedheid, in de zin van gemis aan respect tussen de echtelieden over en weer”, dan wel “duurzame ontwrichting met een separatie tussen de echtelieden van langer dan een jaar” in het dictum, dan wel de overwegingen wordt opgenomen;
  • een verklaring voor recht uit te spreken dat partijen belast zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen;
  • het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen, dan wel
  • als zorgverdeling tussen de man en de kinderen te bepalen dat de kinderen in de maanden december/januari en april/mei van elk kalenderjaar gedurende twee weken bij de man in [land 2] zullen verblijven en te bepalen dat de kinderen in de maanden juli/augustus en in oktober/november gedurende twee weken bij de man in [land 1] zullen verblijven, dan wel een zodanige regeling te treffen die de rechtbank redelijk en passend acht;
  • als contactregeling te bepalen dat de man en de kinderen gedurende vijf dagen per week via beeldbellen contact met elkaar hebben op een voor de kinderen geschikt tijdstip, dan wel een zodanige regeling te treffen die de rechtbank redelijk en passend acht;
  • als informatieregeling te bepalen dat de vrouw de man maandelijks schriftelijk informeert over de gezondheid, school, sociale en mentale ontwikkeling van beide kinderen met minimaal 500 woorden per keer en te bepalen dat zij hem een foto van de kinderen en de stukken die betrekking hebben op de kinderen, zoals onder andere de inschrijvingen bij huisarts, tandarts en (voor)school, dag-/kinderopvang, sport- en hobbyinstellingen, dan wel een zodanige regeling te treffen die de rechtbank redelijk en passend acht;
  • een verklaring voor recht uit te spreken dat het [land 1] recht in de zin van de ‘Hindu Marriage Act 1955’ van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen en te gelasten dat partijen conform dat recht zullen overgaan tot de verdeling van hun vermogen;
en
- primair:
o partijen te gelasten over te gaan tot de verdeling van het huwelijksvermogen naar [land 1] recht,
o waarbij aan de man toebehoort en buiten een verdeling met de vrouw blijft het appartementsrecht bekend als [adres 1] in [plaats 2] ,
o waarbij aan de man wordt toebedeeld het appartementsrecht, niet vrij van huur, bekend als [adres 2] in [plaats 3] , waarbij voor zijn rekening komt de daarop gevestigde hypothecaire geldlening bij ABN AMRO ten name van de vrouw,
o en te bepalen dat dit appartementsrecht binnen twee maanden na de te wijzen beschikking met medewerking van de vrouw en onder de voorwaarde dat de vrouw door de hypotheekverstrekker wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid aan de man geleverd wordt,
o en te bepalen dat de daarop gevestigde hypothecaire geldlening bij ABN AMRO eerst vanaf de datum van levering van het appartementsrecht aan de man voor rekening van de man komt. Daarvoor is de vrouw aansprakelijk en draagplichtig voor alle lasten en overige verplichtingen die voortvloeien uit de eigendom en verhuur van dit appartementsrecht,
o en te bepalen dat het maritaal beslag dat door de vrouw op de vermogensbestanddelen van de man in Nederland is gelegd, per direct wordt opgeheven;
- subsidiair:
o partijen te gelasten over te gaan tot de verdeling van het huwelijksvermogen naar Nederlands recht,
o te bepalen dat aan de man wordt toebedeeld het appartementsrecht bekend als [adres 1] in [plaats 2] ,
o te bepalen dat aan de man wordt toebedeeld het appartementsrecht, niet vrij van huur, bekend als [adres 2] in [plaats 3] , waarbij voor zijn rekening komt de daarop gevestigde hypothecaire geldlening bij ABN AMRO ten name van de vrouw,
o en te bepalen dat dit appartementsrecht binnen twee maanden na de te wijzen beschikking met medewerking van de vrouw en onder de voorwaarde dat de vrouw door de hypotheekverstrekker wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid aan de man geleverd wordt,
o en te bepalen dat de daarop gevestigde hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO eerst vanaf de datum van levering van het appartementsrecht aan de man voor rekening van de man komt, daarvoor is de vrouw aansprakelijk en draagplichtig voor alle lasten en overige verplichtingen die voortvloeien uit de eigendom en verhuur van dit appartementsrecht,
o en te bepalen dat wegens artikel 3:194 BW Pro de vrouw aan de man moet voldoen een geldbedrag van € 210.181,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele betaling daarvan,
o en te bepalen dat het maritaal beslag dat door de vrouw op de vermogensbestanddelen van de man in Nederland is gelegd per direct wordt opgeheven;
- een en ander te bepalen zo nodig met aanvulling van gronden.
De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt op grond van artikel 3 sub b Brussel Pro II-ter aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het toepasselijk recht als volgt. Artikel 10:56 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat het Nederlandse recht bepaalt of de echtscheiding kan worden uitgesproken en op welke gronden. Uit artikel 10:56 lid 2 en Pro lid 3 van het BW volgt in welk geval afgeweken wordt van het Nederlandse recht en het recht van de staat van een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit wordt toegepast. De man beroept zich op artikel 10:56 lid 2 sub b en Pro lid 3 BW en stelt dat op grond hiervan het [land 1] recht van toepassing is. De rechtbank is gebleken dat partijen in maart 2020 de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen. Hierbij hebben zij afstand gedaan van hun [land 1] nationaliteit. Op het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek hadden partijen dus niet langer de [land 1] nationaliteit. Dit betekent dat niet is voldaan aan het vereiste dat partijen ‘een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit’ hebben, waardoor niet wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 10:56 lid 1 BW Pro – toepassing van het Nederlandse recht.
De rechtbank ziet voorts in het standpunt van de man dat partijen volgens hem altijd hun domicilie in [land 1] hebben gehouden geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat het Nederlandse recht van toepassing is. De vrouw heeft dit standpunt gemotiveerd betwist terwijl – zelfs als partijen domicilie zouden hebben gehouden in [land 1] – daarmee geen gemeenschappelijke vreemde nationaliteit wordt gecreëerd waarvoor een keuze zou kunnen worden gemaakt zoals vermeld in artikel 10:56 lid 2 BW Pro. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op grond van artikel 10:56 lid 1 BW Pro het Nederlandse recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het op grond van artikel 815 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank zal in dit geval voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv Pro, omdat de rechtbank zich – zoals hierna wordt overwogen – onbevoegd zal verklaren ten aanzien van de verzoeken over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de informatieregeling.
Omdat aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de man en de vrouw ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:151 BW Pro wordt de echtscheiding uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken. Het verzoek tot echtscheiding kan dus als op de wet gegrond worden toegewezen.
Gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling en informatieregeling
De man heeft nevenverzoeken ingediend over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, een contactregeling via beeldbellen en een informatieregeling. Omdat deze echtscheidingszaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van deze nevenverzoeken die worden gerekend tot de ouderlijke verantwoordelijkheid. Hierbij is het volgende van belang. De kinderen zijn in 2020 in [land 1] geboren. Zij hebben nooit in Nederland gewoond. Ten tijde van de indiening van de verzoeken woonden de kinderen samen met de vrouw in [land 2] . Inmiddels wonen de kinderen (net als beide ouders) weer in [land 1] .
De rechtbank zal haar bevoegdheid toetsen op grond van artikel 4 lid 3 onder Pro b Rv. In dit geval is immers de Verordening Brussel II-ter niet van toepassing omdat de kinderen buiten Europa wonen en is het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 niet van toepassing omdat [land 2] en [land 1] geen verdragsstaten zijn bij dat Verdrag.
Uit artikel 4 lid 3 onder Pro b Rv volgt dat de Nederlandse rechter zich – met betrekking tot verzoeken tot regeling van het gezag en het omgangsrecht – onbevoegd verklaart indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. In dit geval wonen de kinderen niet in Nederland en hebben zij ook nooit in Nederland gewoond. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de kinderen via hun ouders de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen onvoldoende is om rechtsmacht aan te nemen. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, een contactregeling via beeldbellen en een informatieregeling.
Kinderalimentatie
Vooraf
De rechtbank moet eerst beoordelen of aan haar een verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie voorligt.
De vrouw heeft in haar inleidende verzoekschrift (onder III) een verzoek gedaan ten aanzien van de kinderalimentatie. Dat verzoek is tezamen met het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw, bij bericht van 26 oktober 2023 ingetrokken. In het processtuk van 12 maart 2024 wordt onder de randnummers 29 tot en met 37 een nieuw verzoek om kinderalimentatie toegelicht. Omdat dit verzoek niet expliciet in het petitum is geformuleerd, stelt de man zich op het standpunt dat er geen verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie voorligt. De rechtbank gaat aan dat standpunt voorbij. Het verzoek is immers door de vrouw toegelicht en de man heeft zowel in de processtukken als tijdens de zitting gereageerd op dat verzoek door verweer te voeren. Hiermee is hoor en wederhoor toegepast en wordt de man niet geschaad in zijn belangen als de rechtbank het verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie inhoudelijk beoordeelt.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub c Ali Pro-vo bevoegd ten aanzien van dit verzoek, omdat het alimentatieverzoek is ingediend als nevenverzoek in de echtscheidingsprocedure en de Nederlandse rechter bevoegd is om op dat verzoek te beslissen. Op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen worden de onderhoudsverplichtingen geregeld door het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Hoewel de kinderen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift feitelijk hun gewone verblijfplaats in [land 2] hadden, hebben de kinderen op het moment van de mondelinge behandeling hun gewone verblijfplaats in [land 1] . Dat betekent dat het [land 1] recht van toepassing is. [1]
De relevante [land 1] wetgeving is onder andere geregeld in de Hindu Adoptions and Maintenance Act 1956 en de Hindu Marriage Act 1955. Partijen hebben allebei een legal opinion met een toelichting op het [land 1] recht ingediend (productie 31 van de man en productie 28 van de vrouw). De rechtbank begrijpt uit die stukken dat beide ouders onderhoudsplichtig zijn voor hun kinderen. Naar [land 1] recht wordt geen formule gebruikt om de kinderalimentatie te bepalen. De bijdrage wordt per geval, afhankelijk van de omstandigheden in de specifieke zaak, vastgesteld. Aan de ene kant wordt de behoefte van het kind beoordeeld. De kosten die in aanmerking worden genomen zijn voedsel, kleding, huisvesting, onderwijs en medische zorg. Aan de andere kant wordt de draagkracht van de ouders beoordeeld. De ouders moeten, als zij allebei werken, naar rato van hun beschikbare inkomen bijdragen in de kosten van hun kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
De kosten van de kinderen
Partijen zijn het erover eens dat zij allebei moeten bijdragen aan de kosten van de kinderen. Ze verschillen echter van mening over de hoogte van deze kosten. De vrouw stelt dat de kosten van de kinderen nu zij in [land 1] wonen afgerond € 2.476,- per maand bedragen. Zij verwijst hierbij naar het door haar opgestelde overzicht in productie 6 en de onderliggende stukken. De man heeft dit bedrag betwist en stelt dat moet worden uitgegaan van € 1.027,- per maand zoals opgenomen in de aanvulling van productie 14 bij de stukken van 30 december 2025.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet zonder meer zal uitgaan van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst, omdat deze door de man gemotiveerd is betwist. De rechtbank is echter van oordeel dat het door de man gestelde bedrag ook onvoldoende is onderbouwd. Een overzicht van de kosten van daycare/nanny, scholen en overzicht van de kosten van boodschappen, transport e.d. in [land 1] is daartoe niet maatgevend.
De rechtbank zal in redelijkheid de behoefte van de kinderen vaststellen op het gemiddelde tussen de door de vrouw gestelde behoefte en de door de man gestelde behoefte. De rechtbank neemt dus als uitgangspunt dat de kosten van de kinderen in totaal € 1.752,- per maand bedragen. Een dergelijke behoefte lijkt passend bij de welstand die de kinderen gewend zijn en zoals partijen deze tijdens de mondelinge behandeling hebben toegelicht. Bovendien acht de rechtbank het aannemelijk dat de kosten hoger zijn dan de man stelt, omdat bij [minderjarige 1] sprake is van een ontwikkelingsachterstand waardoor hij extra ondersteuning en hulpverlening – met bijkomende kosten – nodig heeft.
Draagkracht ouders en verdeling kosten
De rechtbank moet vervolgens beoordelen in welke verhouding de ouders moeten bijdragen in de kosten van de kinderen.
De man en de vrouw hebben allebei inkomen uit arbeid (in [land 1] ). Daarnaast ontvangt de man inkomsten uit verhuur van de woning aan [adres 1] in [plaats 2] en ontvangt de vrouw inkomsten uit verhuur van de woning aan [adres 2] in [plaats 3] . De rechtbank is echter van oordeel dat beide partijen onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt wat hun totale inkomen, bestaande uit inkomen uit arbeid, bonussen en inkomsten uit de verhuur van de woningen in Nederland, bedraagt en voor welke kosten eventueel nog een bijdrage (vanuit de werkgever) wordt ontvangen. De rechtbank zal daarom in redelijkheid bepalen dat beide ouders de helft van de kosten voor de kinderen moeten dragen. Dat betekent dat van de totale behoefte van € 1.752,- per maand een deel van € 876,- per maand voor rekening van de man komt.
Ingangsdatum
De rechtbank vindt het redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum vast te stellen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van deze beschikking een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw moet betalen van in totaal € 876,- per maand. Dat is € 438,- per kind per maand. Het is aan partijen om dit bedrag om te rekenen naar [valuta] . Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub c Ali Pro-vo bevoegd ten aanzien van dit verzoek, omdat het alimentatieverzoek is ingediend als nevenverzoek in de echtscheidingsprocedure en de Nederlandse rechter bevoegd is om op dat verzoek, zoals hiervoor overwogen, te beslissen. Op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen worden de onderhoudsverplichtingen geregeld door het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Hoewel de vrouw ten tijde van de indiening van het verzoekschrift feitelijk haar gewone verblijfplaats in [land 2] had, heeft de vrouw op het moment van de mondelinge behandeling haar gewone verblijfplaats in [land 1] . Dat betekent dat het [land 1] recht van toepassing is. [2]
De relevante wetgeving is onder andere geregeld in de Hindu Adoptions and Maintenance Act 1956 en de Hindu Marriage Act 1955. De rechtbank begrijpt uit de legal opinions van partijen dat volgens het [land 1] recht degene die onvoldoende middelen van bestaan heeft om zichzelf te onderhouden een bijdrage kan vragen. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek kan de rechtbank rekening houden met de volgende aspecten:
  • het eigen inkomen, vermogen en verdiencapaciteit van de verzoeker;
  • de draagkracht van de verweerder;
  • specifieke feiten en omstandigheden: de duur van het huwelijk, de levensstandaard tijdens het huwelijk, leeftijd en gezondheid, de zorg voor de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt een bijdrage van de man van € 3.000,- per maand. Ter onderbouwing van haar verzoek wijst de vrouw op een door haarzelf (als productie 6) opgesteld overzicht van inkomsten en vermeende uitgaven waaruit volgens haar volgt dat zij maandelijks geld tekort komt. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw – gelet op de gemotiveerde betwisting door de man – met dit schema en de ingediende bankafschriften uit 2025 onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – naast haar eigen inkomen – behoefte heeft aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing. Partijen zijn getrouwd op [datum] 2017 in [land 1] . Niet gebleken is dat de echtgenoten een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Ten tijde van het huwelijk hadden de man en de vrouw de [land 1] nationaliteit. Zij woonden (en werkten) op dat moment allebei in Nederland en zijn na de huwelijksvoltrekking in Nederland blijven wonen. Dat volgt ook uit de gegevens van de Basisregistratie Personen. Partijen hebben gesteld dat zij in maart 2020 de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen.
De rechtbank gaat er, rekening houdend met deze informatie, vanuit dat op grond van artikel 4 lid 1 van Pro het Verdrag het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden. Dat was in Nederland, waar partijen allebei al enkele jaren voor het huwelijk woonden en na het huwelijk zijn blijven wonen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij voorbij gaat aan het standpunt van de man dat partijen desondanks altijd hun ‘domicilie’ in [land 1] hebben gehouden, nu dit door de vrouw gemotiveerd is betwist en dit de rechtbank ook niet aannemelijk voorkomt gezien het feit dat partijen vele jaren in Nederland hebben gewoond en zelfs hun [land 1] nationaliteit hebben opgegeven om de Nederlandse nationaliteit aan te kunnen nemen. Dat betekent dat het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de man om een verklaring voor recht uit te spreken dat het [land 1] recht van toepassing is en het verzoek van de man om partijen te gelasten over te gaan tot de verdeling naar [land 1] recht af.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat alle goederen en alle schulden in de algehele gemeenschap van goederen vallen. Partijen hebben op grond van artikel 1:100 BW Pro beiden een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Peildatum
De rechtbank overweegt dat voor de omvang/samenstelling van de gemeenschap als peildatum 28 augustus 2023, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang
De rechtbank begrijpt dat partijen een beslissing willen over de volgende bestanddelen en schulden op naam van de man of op naam van de vrouw:
appartementsrecht [adres 2] te [plaats 3] met hypothecaire geldlening bij ABN AMRO;
appartementsrecht [adres 1] te [plaats 2] ;
bank- en spaarrekeningen:
a. bankrekening bij ABN AMRO ten name van de man ( [rekeningnummer 1] );
b. rekeningen bij HDFC Bank ten name van de man;
c. rekeningen bij PNB Bank ten name van de man;
d. bankrekening bij ABN AMRO ten name van de vrouw ( [rekeningnummer 2] );
e. bankrekening bij ING ten name van de vrouw ( [rekeningnummer 3] );
f. rekening bij ICICI Bank ten name van de vrouw;
g. rekening bij Union Bank of [land 1] ten name van de vrouw;
h. rekening bij DBS Bank Singapore ten name van de vrouw;
i. rekening bij Bank of [land 2] (SMBC) ten name van de vrouw;
4. aandelen [bedrijfsnaam] ;
5. sieraden.
In de stukken wordt door partijen ook onroerend goed in [land 1] en een auto genoemd. De rechtbank is echter niet gebleken dat deze bestanddelen aan een van partijen (al dan niet deels) toebehoren en (al dan niet deels) onderdeel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Bovendien liggen daaromtrent geen concrete verzoeken aan de rechtbank voor. Daarom laat de rechtbank dat buiten beschouwing. Ten aanzien van de genoemde polissen (LIC Policies, NPS en PPF) is de rechtbank niet gebleken of hierbij sprake is van waarde-opbouw wat in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogen voor verdeling in aanmerking komt. Dat laat de rechtbank daarom ook buiten beschouwing.
De rechtbank overweegt verder dat zij niet in staat is om de verdeling vast te stellen, omdat partijen de rechtbank hiervoor onvoldoende hebben geïnformeerd. De rechtbank zal daarom partijen gelasten om over te gaan tot de verdeling. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van de wijze van verdeling van de genoemde punten 1 tot en met 5 als volgt.
Appartement aan de [adres 2] te [plaats 3] met hypothecaire geldlening
De rechtbank stelt voorop dat op geen enkele wijze is gebleken dat de man privévermogen heeft aangewend bij de aankoop van dit appartement en/of daarna met privévermogen een verbouwing heeft bekostigd en aflossingen op de hypothecaire geldlening heeft gedaan. De door de man overgelegde stukken wijzen daar niet op. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van de man dat dit appartement hem in eigendom toekomt. De rechtbank gaat er gelet op de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken vanuit dat de vrouw eigenaar is van dit appartement en dat sprake is van een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO. Het appartement en de hypotheek maken wel onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap van partijen en moeten dus in de verdeling worden betrokken.
De rechtbank is van oordeel dat het appartement – conform het verzoek van de vrouw – aan de vrouw moet worden toegedeeld. De rechtbank zal de wijze van verdeling van het appartement en de hypothecaire geldlening vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.
Appartement aan [adres 1] te [plaats 2]
De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken dat de man eigenaar is van dit appartement. Het appartement is hypotheekvrij. Omdat naar Nederlands recht sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, is het appartement onderdeel van de huwelijksgemeenschap en moet dit in de verdeling worden betrokken. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van de man dat de waarde van dit appartement enkel aan hem toekomt.
De rechtbank is van oordeel dat het appartement aan de man moet worden toegedeeld. De rechtbank zal de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.
Bank- en spaarrekeningen
Partijen moeten de saldi van de rekeningen genoemd onder a tot en met i per peildatum
28 augustus 2023 bij helfte met elkaar delen, waarna de rekeningen worden voortgezet door de partij op wiens naam de bank- of spaarrekening is gesteld. Hierbij moeten partijen elkaar over en weer inzage geven in de saldi van alle bank- en spaarrekeningen op voornoemde peildatum. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen die bankafschriften aan elkaar beschikbaar zullen stellen.
Aandelen [bedrijfsnaam]
Tussen partijen staat vast dat de man op de peildatum aandelen [bedrijfsnaam] had. Deze aandelen moeten voor de waarde die zij per datum feitelijke verdeling vertegenwoordigen door partijen in de verdeling worden betrokken, in die zin dat zij die waarde bij helfte met elkaar delen. De rechtbank merkt hierbij op dat op geen enkele wijze is gebleken dat de aandelen op de peildatum – zoals de vrouw stelt – een waarde vertegenwoordigen van € 1.650.000,-. De man moet de vrouw inzicht geven in de waarde van deze aandelen per datum feitelijke verdeling.
Sieraden
Partijen stellen allebei dat er sieraden zijn die in de huwelijksgemeenschap vallen en dat de waarde in de verdeling moet worden betrokken. De rechtbank is echter niet duidelijk geworden om welke sieraden het gaat, wat de waarde van de sieraden is en wie van partijen welke sieraden in bezit heeft. Partijen hebben geen eenduidige standpunten ingenomen en de overgelegde stukken geven de rechtbank onvoldoende informatie. De rechtbank kan daarom geen oordeel geven op dit punt.
De rechtbank zal aldus beslissen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden (artikel 3:194 BW Pro) of benadeling?
De man stelt dat de vrouw € 101.993,- heeft overgemaakt naar haar moeder, € 60.497,- heeft overgemaakt naar haar vader en een bedrag van € 47.691,- heeft overgemaakt van haar bankrekening bij Union Bank of [land 1] naar haar bankrekening bij ICICI bank in [land 1] . Volgens de man heeft de vrouw hiermee opzettelijk geldbedragen van in totaal € 210.181,- verduisterd dan wel verzwegen en als gevolg daarvan dit geldbedrag op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro aan de man verbeurd. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.
De rechtbank is van oordeel dat uit de door de man overgelegde productie 16 niet blijkt dat de vrouw opzettelijk geldbedragen heeft verzwegen, zoekgemaakt of verborgen gehouden.
Voor zover de man heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 1:164 BW Pro, gaat de rechtbank daar ook aan voorbij. De rechtbank is immers niet gebleken dat de vrouw na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvoor de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld. Nagenoeg alle overboekingen van productie 16 hebben plaatsgevonden vòòr zes maanden voor aanvang van het geding. De vrouw heeft ook een verklaring gegeven voor de overboekingen, terwijl de overmaking van de ene rekening van de vrouw naar de andere rekening van de vrouw uiteraard een transactie binnen de algehele gemeenschap van goederen is. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank dit verzoek af.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat haar ook niet is gebleken dat de man de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dat verder niet onderbouwde standpunt van de vrouw.
Opheffen maritaal beslag
De man stelt dat de vrouw beslag heeft gelegd op het vermogen van de man in Nederland, waaronder het appartementsrecht bekend als [adres 1] in [plaats 2] . De vrouw heeft erkend dat er door haar op enig moment beslag is gelegd. De rechtbank heeft echter geen enkel stuk ontvangen over het gestelde maritaal beslag. Bij gebrek aan stukken is het voor de rechtbank dus niet bekend wanneer er beslag is gelegd, waar beslag op is gelegd en met welk doel en/of op welke grondslag beslag is gelegd. De rechtbank kan niet beoordelen of het beslag al dan niet onrechtmatig is gelegd. De man heeft dus onvoldoende gesteld en onderbouwd dat en waarom het maritaal beslag moet worden opgeheven. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
De rechtbank merkt hierbij op dat zij in deze echtscheidingsprocedure niet de verdeling vaststelt. Het is aan partijen om over te gaan tot verdeling van het huwelijkse vermogen. De door partijen uit te voeren verdeling zal op grond van artikel 770b Rv gevolgen hebben voor het maritaal beslag.
Pensioen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de pensioenen.
De rechtbank overweegt dat artikel 10:51 BW Pro bepaalt dat de vraag of een echtgenoot bij echtscheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Dat is in dit geval en zoals hiervoor overwogen het Nederlandse recht.
Hiernaast geldt dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) – en dus het Nederlandse recht – van toepassing is op pensioenrechten opgebouwd tijdens het huwelijk op grond van een Nederlandse pensioenregeling, ongeacht het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt dat het door partijen gedurende het huwelijk opgebouwde pensioen
conform artikel 1:155 BW Pro en de WVPS moet worden verevend. De rechtbank zal hierna in het dictum van de beschikking opnemen dat partijen moeten overgaan tot de wettelijke pensioenverevening zoals bepaald in artikel 1:155 BW Pro en in de WVPS. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen hiertoe zullen overgaan en de relevante gegevens met elkaar zullen uitwisselen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] ( [land 1] );
*
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de verzoeken over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, een contactregeling via beeldbellen en de informatieregeling;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , [land 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , [land 1] ,
van in totaal € 876,- per maand zal betalen voor beide kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
gelast partijen over te gaan tot verdeling van het huwelijkse vermogen naar Nederlands recht;
hierbij geldt in het kader van de wijze van de verdeling, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, het volgende:
1. het appartementsrecht bekend als [adres 1] ( [postcode 1] ) te [plaats 2] wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. De man verstrekt vervolgens binnen één week een opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na afgeven van het taxatierapport aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen;
c) de waarde (de taxatiewaarde minus de kosten van de makelaar-taxateur) wordt tussen partijen bij helfte gedeeld;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. het appartementsrecht bekend als [adres 2] ( [postcode 2] ) te [plaats 3] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij ABN AMRO wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. De vrouw verstrekt vervolgens binnen één week een opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na afgeven van het taxatierapport aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
levering en verrekening van de vorderingen over en weer uit hoofde van deze onroerende zaken zal plaatsvinden binnen drie maanden na het afgeven van het laatste taxatierapport;
3. de volgende bank- en spaarrekeningen zullen worden voortgezet door de man:
o bankrekening bij ABN AMRO ten name van de man ( [rekeningnummer 1] );
o rekeningen bij HDFC Bank ten name van de man;
o rekeningen bij PNB Bank ten name van de man;
waarbij partijen de saldi op de peildatum van 28 augustus 2023 bij helfte met elkaar moeten verdelen;
4. de volgende bank- en spaarrekeningen zullen worden voortgezet door de vrouw:
o bankrekening bij ABN AMRO ten name van de vrouw ( [rekeningnummer 2] );
o bankrekening bij ING ten name van de vrouw ( [rekeningnummer 3] );
o rekening bij ICICI Bank ten name van de vrouw;
o rekening bij Union Bank of [land 1] ten name van de vrouw;
o rekening bij DBS Bank Singapore ten name van de vrouw;
o rekening bij Bank of [land 2] (SMBC) ten name van de vrouw;
waarbij partijen de saldi op de peildatum van 28 augustus 2023 bij helfte met elkaar moeten verdelen;
5. de aandelen [bedrijfsnaam] zullen worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de helft van de waarde per datum van feitelijke verdeling aan de vrouw te betalen;
*
bepaalt dat de man en de vrouw moeten overgaan tot de wettelijke pensioenverevening zoals is bepaald in artikel 1:155 BW Pro en in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, A.C. Olland en M.E. Visser, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3 lid 2 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
2.Artikel 3 lid 2 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.