Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/09/662042 / FA RK 24-1397
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:164 BWArt. 4 lid 4 RvArt. 4 lid 3 sub b RvArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 8 Brussel II-ter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake zorgregeling, informatieregeling en kinderalimentatie na emigratie

Partijen zijn in 2014 een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben een minderjarige kind geboren in 2015. In 2019 zijn zij met het kind naar het buitenland verhuisd, waar het kind haar gewone verblijfplaats heeft, naar school gaat en haar sociale netwerk onderhoudt.

De man verzocht de ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen, waaronder zorg- en informatieregelingen en kinderalimentatie. De vrouw verzocht eveneens om ontbinding en stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was, maar veranderde later van mening.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter niet bevoegd is om te oordelen over de zorg- en informatieregeling, omdat het kind haar gewone verblijfplaats in het buitenland heeft, er geen geldige forumkeuze is gemaakt en het belang van het kind niet wordt gediend door Nederlandse jurisdictie.

Voor de kinderalimentatie is de Alimentatieverordening van toepassing. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de ontbinding van het partnerschap, is zij ook bevoegd voor de alimentatieverzoeken. De rechtbank houdt echter verdere beslissingen aan tot een nader te bepalen zitting.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor de zorg- en informatieregeling en houdt de overige verzoeken aan.

Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd voor de zorg- en informatieregeling en houdt de beslissing over kinderalimentatie aan.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-1397
Zaaknummer: C/09/662042
Datum beschikking: 24 februari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 23 februari 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Huseinovic te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Croes-Bleijendaal te Heerhugowaard.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 11 maart 2024 van de zijde van de man, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man;
  • het verweerschrift op aanvullend verzoekschrift tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift op aanvullend zelfstandig verzoekschrift tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man;
  • het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 3 maart 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 5 maart 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 7 november 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 28 november 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 5 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 10 december 2025 van de zijde van de man, met bijlage.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man (online);
  • de advocaat van de man (online);
  • de vrouw (online);
  • mr. V.R.L. Berkhout, waarnemend advocaat van de vrouw.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
  • het F9-formulier van 24 december 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 12 januari 2026 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 3 februari 2026 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 3 februari 2026 van de zijde van de vrouw.

Feiten

  • Partijen zijn op [datum] 2014 te Almere een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats].
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • Blijkens een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de man en de vrouw in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
  • Partijen zijn volgens de BRP op 30 december 2019 geëmigreerd naar [land].

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat na wijziging en aanvulling luidt, strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:
  • bepaling dat aan de Nederlandse rechter de bevoegdheid toekomt over [minderjarige] te oordelen;
  • bepaling dat Nederlands recht van toepassing is voor wat betreft de zaken die [minderjarige] betreffen;
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat:
- wanneer de man in [plaats 1] is [minderjarige] bij hem is:
- iedere week op woensdag, waarbij de man [minderjarige] van school haalt en om 20.00 uur weer bij de vrouw terugbrengt;
- iedere week op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur;
- de helft van de winter- en zomervakanties;
- wanneer de man tijdelijk in het buitenland werkt en verblijft:
- [minderjarige] en de man iedere week twee keer bellen om 19.00 uur;
  • vaststelling van een regeling inzake de informatie over [minderjarige], in die zin dat de vrouw de man twee maal per maand een update stuurt over [minderjarige], voorzien van enkele foto’s en video’s;
  • vaststelling van een kinderalimentatie van € 27,- per maand, met ingang van datum beschikking;
  • vaststelling van de wijze van verdeling van de partnerschapsgemeenschap conform randnummer 32 tot en met 82 van het verweerschrift op aanvullende zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken;
  • bepaling dat de vrouw op grond van artikel 843a Rv gehouden is om binnen 14 dagen na de datum van het verweerschrift op aanvullende zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken volledige inzage te verschaffen in haar financiële stukken over de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024, inclusief alle relevante inkomens- en vermogensgegevens;
  • bepaling dat de vrouw gehouden is om binnen 14 dagen na de in dezen te wijzen beschikking inzage aan de man te verschaffen in alle bankafschriften van de gezamenlijke rekening van partijen zoals genoemd onder randnummer 60 tot en met 69 van het verweerschrift op aanvullende zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken, vanaf 2021 tot de datum van opheffing, alsmede in wat er met het vermogen van partijen is gebeurd,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging en aanvulling, zelfstandig verzocht om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat als de man in het buitenland verblijft er eens per week (video)belcontact is tussen hem en [minderjarige], en wanneer de man in [plaats 1] is dat [minderjarige] eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft;
  • vaststelling van kinderalimentatie van € 750,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 17 juni 2024;
  • vaststelling van de verdeling van de partnerschapsgemeenschap, conform het voorstel in randnummer 28 van het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van 17 juni 2024, en met dien verstande dat de Volkswagen Kever aan de vrouw wordt toebedeeld;
  • bepaling dat de woning staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] volledig aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening;
  • bepaling dat de man gehouden is om binnen 14 dagen na de in dezen te wijzen beschikking inzage aan de vrouw te verschaffen in alle bankafschriften van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen zoals genoemd onder randnummer 57 van het verweerschrift op aanvullend verzoekschrift tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw van 4 oktober 2024 vanaf 1 januari 2020 tot de datum van opheffing, alsmede in wat er met het vermogen van partijen is gebeurd;

voorwaardelijk, voor zover de rechtbank van oordeel is dat de woning staande en gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] aan de zoon van de man is geschonken:

- bepaling dat de man op grond van artikel 1:164 BW Pro gehouden is om de door hem aan de gemeenschap aangerichte schade, vast te stellen op de nader te bepalen waarde van de woning staande en gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1], binnen twee maanden na inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap aan de gemeenschap dient te vergoeden;

voorwaardelijk, voor zover de rechtbank van oordeel is dat de Volkswagen Kever aan de zoon van de man is geschonken:

- bepaling dat de man op grond van artikel 1:164 BW Pro gehouden is om de door hem aan de gemeenschap aangerichte schade, vast te stellen op de nader te bepalen waarde van de Volkswagen Kever, binnen twee maanden na inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap aan de gemeenschap dient te vergoeden,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Bevoegdheid ten aanzien van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 4 lid 4 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rechtsmacht, nu dit geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan.
Bevoegdheid ten aanzien van de verzoeken omtrent zorgregeling en informatieregeling
De rechtbank moet in deze zaak ten aanzien van de verzoeken omtrent zorgregeling en informatieregeling eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu [minderjarige] in [land] verblijft.
De man was aanvankelijk van mening dat de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de verzoeken over de zorgregeling en de informatieregeling, maar hij is van mening veranderd. Volgens de man moeten deze verzoeken behandeld worden in [land], waar partijen in 2020 met [minderjarige] naartoe zijn verhuisd. [minderjarige] heeft wel de Nederlandse nationaliteit, maar heeft al sinds 2020 haar gewone verblijfplaats in [land], spreekt [taal land], gaat daar naar school en heeft daar haar sociale netwerk. De man vindt dat er geen sprake is van een feitelijke band met Nederland. De Nederlandse rechter is volgens de man daarom niet bevoegd kennis te nemen van de verzoeken.
De vrouw stelde zich eerder in de procedure op het standpunt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd zou zijn, maar ook zij is van gedachten veranderd. De vrouw vindt dat de Nederlandse rechter wél bevoegd is om te oordelen over de zorgregeling en de informatieregeling, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland had, onderdaan is van Nederland en partijen volgens haar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de loop van de procedure nadrukkelijk hebben aanvaard. Tot slot rechtvaardigt het belang van [minderjarige] dat de Nederlandse rechter een beslissing neemt ten aanzien van de verzoeken.
De rechtbank zal eerst beoordelen of de Nederlandse rechter inzake de verzoeken omtrent de zorgregeling en informatieregeling bevoegdheid kan ontlenen aan de hand van hetgeen bepaald is in de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter).
Artikel 7 lid 1 van Pro Brussel II-ter bepaalt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het bepaalde in lid 1 van dit artikel geldt onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10. Volgens de hoofdregel is de Nederlandse rechter dus niet bevoegd, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft.
Vervolgens kijkt de rechtbank naar de artikelen 8 tot en met 10. Aan artikel 8 en Pro 9 kan in dit geval geen bevoegdheid voor de Nederlandse rechter worden ontleend. De Nederlandse rechter heeft daarom op grond van artikel 10 van Pro Brussel II-ter alleen bevoegdheid als voldaan is aan de volgende drie gronden:
Het kind moet een nauwe band hebben met de betrokken lidstaat;
Alle personen die het gezag uitoefenen moeten de bevoegdheid van de aangezochte rechter vrijwillig hebben aanvaard of daarover tijdig een forumkeuze zijn overeengekomen;
De uitoefening van de bevoegdheid moet gerechtvaardigd zijn door het belang van het kind.
De rechtbank overweegt dat aan zowel sub b als sub c niet is voldaan. Er is door partijen geen forumkeuze gemaakt en de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is niet vrijwillig aanvaard, nu niet beide partijen instemmen met de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit kader. Daarnaast geldt dat de rechtbank niet vindt dat de uitoefening van de bevoegdheid gerechtvaardigd wordt door het belang van [minderjarige]. [minderjarige] woont al meer dan de helft van haar leven in [land], spreekt de taal, gaat daar naar school en heeft haar sociale leven in [land]. De Nederlandse rechter kan daardoor niet beoordelen wat het meest in haar belang is.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de Nederlandse rechter aan Brussel II-ter geen rechtsmacht kan ontlenen.
De rechtbank overweegt vervolgens dat zij zich ook op grond van artikel 4 lid 4 juncto Pro 4 lid 3 sub b Rv niet bevoegd acht om van deze verzoeken kennis te nemen. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van [minderjarige] naar behoren te beoordelen.
Alles overwegende acht de rechtbank zich dus onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling en de informatieregeling.
Bevoegdheid ten aanzien van de verzoeken kinderalimentatie
De man beroept zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter ook voor het verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie niet bevoegd is. Ter onderbouwing van dit standpunt brengt de man naar voren dat hij en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in [land] hebben, de Nederlandse rechter niet bevoegd is ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid en er geen geldige forumkeuze is gemaakt, waardoor niet voldaan is aan de bevoegdheidsgronden.
De vrouw is daarentegen van mening dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Volgens haar is de Nederlandse rechter bevoegd inzake alimentatie omdat er bevoegdheid is ten aanzien van de staat van personen, en de ouderlijke verantwoordelijkheid.
De rechtbank overweegt dat voor de bevoegdheid inzake de kinderalimentatie de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: Alimentatieverordening) van toepassing is. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub c van Pro de Alimentatieverordening tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de kinderalimentatie aanhouden, samen met alle andere verzoeken, tot een nader te bepalen zitting.

Beslissing

De rechtbank:
*
verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling en de informatieregeling;
*
houdt iedere verdere beslissing aan tot een nader te bepalen zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.