De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot echtscheiding van partijen, gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen sinds 2023, met een minderjarig kind geboren in 2024. De vrouw verzocht de echtscheiding uit te spreken, de hoofdverblijfplaats van het kind bij haar vast te stellen, kinderalimentatie te bepalen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap te regelen.
De rechtbank oordeelde dat zij rechtsmacht heeft op grond van de verblijfplaats van partijen en het kind in Nederland en dat Nederlands recht van toepassing is. Hoewel geen ouderschapsplan was overgelegd, werd het verzoek tot echtscheiding ontvankelijk verklaard en toegewezen omdat het huwelijk duurzaam ontwricht is en het belang van het kind gediend wordt.
De hoofdverblijfplaats van het kind werd vastgesteld bij de vrouw, zonder verweer van de man. De man wenste wel zorgverdeling, maar dit werd niet toegewezen omdat geen verzoek daartoe was ingediend en hij in Georgië woont. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €116 per maand, vooruitbetaald, eveneens zonder verweer.
De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen werd geregeld conform het voorstel van de vrouw, waarbij ieder de goederen die hij/zij onder zich heeft behoudt zonder verrekening. Schulden, waaronder belastingschulden, worden ieder voor de helft gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve het uitspreken van de echtscheiding.