Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/09/674992 / FA RK 24-7806
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot echtscheiding van partijen, gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen sinds 2023, met een minderjarig kind geboren in 2024. De vrouw verzocht de echtscheiding uit te spreken, de hoofdverblijfplaats van het kind bij haar vast te stellen, kinderalimentatie te bepalen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap te regelen.

De rechtbank oordeelde dat zij rechtsmacht heeft op grond van de verblijfplaats van partijen en het kind in Nederland en dat Nederlands recht van toepassing is. Hoewel geen ouderschapsplan was overgelegd, werd het verzoek tot echtscheiding ontvankelijk verklaard en toegewezen omdat het huwelijk duurzaam ontwricht is en het belang van het kind gediend wordt.

De hoofdverblijfplaats van het kind werd vastgesteld bij de vrouw, zonder verweer van de man. De man wenste wel zorgverdeling, maar dit werd niet toegewezen omdat geen verzoek daartoe was ingediend en hij in Georgië woont. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €116 per maand, vooruitbetaald, eveneens zonder verweer.

De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen werd geregeld conform het voorstel van de vrouw, waarbij ieder de goederen die hij/zij onder zich heeft behoudt zonder verrekening. Schulden, waaronder belastingschulden, worden ieder voor de helft gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve het uitspreken van de echtscheiding.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats kind bij vrouw vastgesteld, kinderalimentatie opgelegd en beperkte gemeenschap van goederen verdeeld zonder verrekening.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7806
Zaaknummer: C/09/674992
Datum beschikking: 24 februari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 30 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.W. Kuiper te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande/ wonende op een bij de rechtbank bekend adres in [land] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9-formulier van 23 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 2 januari 2025 van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 21 maart 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 30 april 2025 van de zijde van de vrouw
.
Op 27 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man zonder advocaat, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] , [land] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- [de minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
- De vrouw heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Georgische nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 116,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw, onder punt 10 van haar verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft zich ter zitting gerefereerd aan het verzoek van de vrouw.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu vóór de indiening van het verzoekschrift de laatste gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond en één van hen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog steeds in Nederland verbleef, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist.
Op grond van artikel 815, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd.
Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Het is de rechtbank, gelet op de overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde, voldoende gebleken dat het op dit moment niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Nu de rechtbank het in het belang van het minderjarige kind acht dat de behandeling van het verzoek wordt voortgezet, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn. De man hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
Zorgregeling
Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij graag naar Nederland wil komen en de zorg over [de minderjarige] 50/50 met de vrouw wil delen. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank begrijpt de wens van de man, maar, nog daargelaten dat een en ander niet mogelijk is nu de man op dit moment niet in Nederland maar in Georgië woont, ligt er geen verzoek tot vaststelling van een zorgregeling aan de rechtbank voor, zodat de rechtbank op dit punt geen beslissing kan nemen. Ter zitting is overigens gebleken dat de ouders in onderling overleg afspraken (kunnen) maken over de zorg voor [de minderjarige] en dat er goed contact is tussen de man en [de minderjarige] .
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] vast te stellen van € 116,- per maand. De man hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
30 oktober 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang en samenstelling van de gemeenschap
De vrouw heeft de volgende vermogensbestanddelen ter verdeling naar voren gebracht:
kleding en sieraden;
de huishoudelijke inboedel;
bankrekeningen ten name van de vrouw en de man;
schulden aan de belastingdienst.
Ad a., b. en c.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze, waarbij partijen alle goederen die zij onder zich hebben en de saldi van de op hun naam staande bankrekeningen behouden, zonder verrekening van de waarde. De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de vaststelling van de verdeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, als hierna te melden.
Ad d.
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Bovendien is het niet mogelijk door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikel 1:102 BW Pro neergelegde aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers. In de onderlinge verhouding tussen partijen dient ieder van hen voor de helft bij te dragen in de schuld tenzij daarover anders wordt overeengekomen (artikel 1:100 BW Pro). Indien, ten slotte, één van partijen, daartoe aangesproken door de schuldeiser, meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft hij voor het meerdere een regresrecht op de andere partij (artikel 6:10 BW Pro). Partijen dienen de belastingschulden ontstaan vóór de peildatum (vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap) ieder bij helfte te dragen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] , [land] ;
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] , voornoemd, van € 116,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
beslist in het kader van de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt:
1. aan de vrouw wordt toebedeeld:
1.1.
de inboedel, die zij onder zich heeft;
1.2.
haar kleding en sieraden;
1.3.
de op haar naam staande bankrekening(en);
zonder nadere verrekening met de man;
2. aan de man wordt toebedeeld:
2.1.
de inboedel, die hij onder zich heeft;
2.2.
zijn kleding en sieraden;
2.3.
de op zijn naam staande bankrekening(en);
zonder nadere verrekening met de vrouw;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld(en) bij de belastingdienst ontstaan vóór de peildatum voor zijn/haar rekening dient te nemen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.