Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/09/690982 / FA RK 25-6640
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:246 BWArt. 1:253b BWArt. 1:281 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag voogd en toewijzing gezag aan moeder over minderjarige

De moeder verzoekt de rechtbank om haar te belasten met het gezag over haar minderjarige kind, waarvoor tot dan toe de oma als voogd was aangesteld omdat de moeder bij de geboorte minderjarig was. De rechtbank stelt vast dat de moeder inmiddels meerderjarig is en dat de grond voor haar onbevoegdheid tot gezag is vervallen.

Tijdens de zitting was de moeder niet aanwezig, maar haar advocaat, de voogd en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming waren wel aanwezig. De rechtbank beoordeelt dat er geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind bij toewijzing van het gezag aan de moeder worden verwaarloosd.

De moeder is voornemens te verhuizen naar het buitenland met haar partner, waardoor het van belang is dat zij zelfstandig beslissingen kan nemen over het kind. De rechtbank wijst het verzoek toe, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en stelt dat de voogdij van de oma van rechtswege eindigt de dag na verzending van deze beschikking.

Uitkomst: De moeder wordt belast met het gezag over haar minderjarige kind en de voogdij van de oma eindigt van rechtswege.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6640
Zaaknummer: C/09/690982
Datum beschikking: 24 februari 2026

Ontslag voogd en voorziening in gezag

Beschikking op het op 2 september 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.D. Radenovska in ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de oma] ,

de oma, tevens voogd,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 27 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de moeder, de oma en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De moeder was niet aanwezig op de zitting.

Feiten

- Uit de moeder is het volgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] .
  • De vader van [minderjarige] is niet bekend.
  • Ten tijde van de geboorte van [minderjarige] was de moeder onbevoegd tot het gezag omdat zij minderjarig was.
  • Bij beschikking van 2 december 2019 van deze rechtbank is de oma benoemd tot voogd over [minderjarige] .
  • De moeder is op [datum] 2020 meerderjarig geworden.
  • [minderjarige] en de moeder hebben de hoofdverblijfplaats bij de oma.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot wijziging van de beschikking van 2 december 2019 van deze rechtbank, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het gezag over [minderjarige] , een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd.
De Nederlandse rechter is bevoegd naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot beëindiging voogdij en voorziening in het gezag over [minderjarige] .
Gezag en voogdij
Wettelijk kader
Op grond van art. 1:253b lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt, wanneer een voogd het gezag over de minderjarige uitoefent, het verzoek van de moeder uit wie het kind is geboren om het gezag over het kind uit te oefenen, slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij de inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder was tijdens de geboorte van [minderjarige] minderjarig. Op grond van artikel 1:246 BW Pro was zij toen onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag over [minderjarige] . De oma is toen met de voogdij belast over [minderjarige] . De moeder is inmiddels meerderjarig en wil alsnog met het gezag over [minderjarige] worden belast.
Nu de grond waarop de moeder onbevoegd is geworden tot de uitoefening van het gezag is vervallen, kan de rechtbank op grond van artikel 1:253b lid 3 en lid 5 BW de moeder op haar verzoek met het gezag belasten, tenzij de rechtbank oordeelt dat gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de belangen van [minderjarige] niet zullen worden verwaarloosd indien de moeder met het gezag over haar wordt belast. De moeder is voornemens om naar [land] te verhuizen met haar huidige partner. De rechtbank acht het daarom belangrijk dat de moeder zelfstandig beslissingen kan nemen over [minderjarige] . De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De rechtbank merkt op dat de voogdij over [minderjarige] op grond van artikel 1:281 lid 1 sub b BW Pro in samenhang met artikel 1:281 lid 2 BW Pro van rechtswege eindigt de dag na het verzenden van deze beschikking. Het verzoek daartoe zal de rechtbank daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
belast de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 in [geboorteplaats 2] , [land] , met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door
P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2026.