Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
2.De feiten
“(…) gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging welke hem bij benoeming in de functie van Directeur van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao in Nederland (schaal 16) zou zijn toegekend en de door hem genoten bezoldiging”.Daarbij is op de voet van artikel 25, tweede lid, onder b en vierde lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht, hem over de dagen in het jaar 2018 een toelage toegekend van NAf. 740,00 per maand en over de dagen in het jaar 2019 NAf. 997,00 per maand.
3.Het geschil
- van een bedrag van € 14.035,36 in verband met waarneming directeursfunctie, bestaande uit een waarnemingstoelage van € 7.306,56, vermeerderd met 8% vakantietoeslag van € 584,52, een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% van € 3.945,54 en wettelijke rente vanaf 1 februari 2021;
- van een bedrag van € 48.622,62 in verband met extra werkzaamheden Brussels/OCTA-dossier, bestaande uit een toelage van 25% gedurende 16 maanden van € 24.543,52, vermeerderd met 8% vakantietoeslag van € 1.963,48, een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% van € 13.253,50 en wettelijke rente vanaf 16 december 2019;
4.De beoordeling
5.De beslissing
- een bedrag van € 7.452,69 bruto (zijnde de waarnemingstoelage over 2021 met 2% vakantietoeslag), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling,
- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% over € 7.452,69 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling,