De rechtbank behandelt een geschil over de verdeling van een woning die gezamenlijk eigendom is van een man en een vrouw, die in 1993 zijn getrouwd zonder gemeenschap van goederen en in 2011 zijn gescheiden. De woning werd in 1998 gezamenlijk gekocht met een hypothecaire lening waarop niet werd afgelost. De man vertrok in 2008 naar het buitenland, waarna de vrouw de lasten en zorg voor de kinderen op zich nam. Executoriaal beslag werd gelegd op de woning vanwege schulden van de man.
De vrouw was onderworpen aan een schuldsaneringsregeling die in 2014 eindigde met een schone lei, terwijl de man sinds 2023 ook onder een schuldsaneringsregeling valt. De rechtbank oordeelt dat de waarde van de woning moet worden bepaald op het moment van feitelijke verdeling, niet op een eerdere taxatiedatum in 2014, omdat executoriaal beslag de beschikking over de woning beperkte en de overwaarde sinds 2014 is ontstaan.
De vrouw krijgt de mogelijkheid om het aandeel van de man in de woning over te nemen binnen drie maanden na taxatie, mits zij de financiering rond krijgt en de man wordt ontslagen van zijn hypotheekverplichtingen. Indien dit niet lukt, wordt de woning verkocht en de opbrengst verdeeld. Daarnaast worden kosten en vorderingen tussen partijen verrekend, waarbij de vrouw recht heeft op vergoeding van bepaalde verbeteringskosten en de man recht heeft op de helft van de waarde van een levensverzekering tot 2010.
De rechtbank wijst verrekening van regresvorderingen en kinderalimentatie af vanwege de werking van de schuldsaneringsregeling. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.