ECLI:NL:RBDHA:2026:6685
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijke verblijfplaats
Verzoeker diende op 30 oktober 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning in, die op 16 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening bij de rechtbank Den Haag, locatie 's-Hertogenbosch.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het griffierecht van €194,- niet was betaald binnen de gestelde termijn, ondanks een aangetekende brief van 6 januari 2026. Deze brief werd retour gezonden met de vermelding dat de geadresseerde onbekend was. Verder bleek uit onderzoek dat verzoeker onbekend is in de basisregistratie personen en dat het opgegeven postadres een bedrijventerrein is waar meerdere verzoeken met identieke kenmerken vandaan kwamen.
Opvallend was dat in ten minste 19 verzoeken hetzelfde postadres werd gebruikt, met identieke handtekeningen en vrijwel identieke verzoekschriften en ondernemingsplannen. Er was geen gemachtigde voor verzoeker en de handtekening lijkt niet van verzoeker zelf te zijn. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten van artikel 6:5 Awb Pro.
De voorzieningenrechter achtte het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar en zag geen reden om herstel toe te staan. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijke verblijfplaats van verzoeker.