ECLI:NL:RBDHA:2026:6684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/24091
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijk verblijfadres

Verzoeker diende op 30 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, welke door de minister van Asiel en Migratie op 9 december 2025 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening bij de rechtbank Den Haag.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit was het geval omdat het griffierecht van €194,- niet was betaald binnen de gestelde termijn. De griffier had verzoeker per aangetekende brief op 1 januari 2026 verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar deze brief werd retour gezonden met de vermelding dat de geadresseerde onbekend was.

Verder bleek uit onderzoek dat verzoeker niet bekend is in de basisregistratie personen en dat het opgegeven postadres een bedrijventerrein is waar meerdere verzoeken met hetzelfde adres werden ingediend. Ook was het ondernemingsplan identiek aan dat van andere verzoekers. Hierdoor was onduidelijk waar verzoeker daadwerkelijk verblijft, wat relevant is voor de voorlopige voorziening.

Gezien het niet betalen van het griffierecht en de onduidelijkheid over het verblijfadres, achtte de voorzieningenrechter het niet verontschuldigbaar dat het griffierecht niet was voldaan en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. Er werd geen inhoudelijke beoordeling gegeven en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijkheid over het verblijfadres van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/24091

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker,
v-nummer: [nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verzoeker heeft op 30 oktober 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 1 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze brief is bij de rechtbank retour binnengekomen met de vermelding dat de geadresseerde onbekend is. De nota heeft verzoeker dus niet bereikt.
Bevindingen van de voorzieningenrechter
2.2.
De voorzieningenrechter heeft in een relatief kort tijdsbestek diverse verzoeken om voorlopige voorzieningen gekregen van vreemdelingen die een aanvraag om arbeid als zelfstandige hebben ingediend waarbij zij een beroep doen op het associatierecht EU-Turkije. Door de griffie werd gesignaleerd dat in deze verzoeken (aangetekende) post opvallend vaak retour werd gezonden aan de griffie als zijnde onbestelbaar. Nader onderzoek wees uit dat dit samenhing met feit dat in tenminste al 19 verzoeken hetzelfde postadres in [plaats] werd opgevoerd.
2.3.
Volgens google maps blijkt het opgegeven (post)adres een bedrijventerrein waar zich diverse bedrijven bevinden met hetzelfde postadres. De voorzieningenrechter heeft in de basisregistratie personen (brp) vervolgens gecontroleerd of verzoeker een ander adres heeft waar de nota naar toe kan worden gezonden. Verzoeker is echter onbekend in de brp. Op basis van de beschikbare gegevens en het feit dat in tenminste 19 andere zaken hetzelfde postadres wordt gevoerd is dus onduidelijk waar verzoeker daadwerkelijk verblijft, laat staan of dit in Nederland is. Voor een voorlopige voorziening als hier gevraagd is dat wel relevant.
2.4.
Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat in 17 zaken, waarvan 1 ook met een ander postadres, hetzelfde ondernemingsplan is ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek waarbij nog niet eens de naam van een andere vreemdeling is weggehaald. Ook de inhoud en layout van het verzoekschrift vertonen grote gelijkenissen met andere verzoeken die met dit postadres zijn ingediend.

Conclusie en gevolgen

3. Omdat het griffierecht niet is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Gelet op de bevindingen van de voorzieningenrechter zoals hiervoor weergegeven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar te achten. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.