ECLI:NL:RBDHA:2026:6677

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.49198
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, lid 6, Vreemdelingenwet 2000Art. 66a, lid 1, Vreemdelingenwet 2000Art. 15c KwalificatierichtlijnArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardigheid homoseksualiteit en oplegging inreisverbod

Eiser, van Oegandese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen in Oeganda. Hij stelde dat hij vanwege zijn geaardheid en incidenten in 2010 en 2022 gevaar liep en daarom het land ontvluchtte. De minister wees de aanvraag af, waarbij het eerste asielmotief werd erkend als geloofwaardig, maar het tweede motief over de homoseksualiteit werd als ongeloofwaardig beoordeeld.

De minister voerde elf punten aan die de geloofwaardigheid van eiser ondermijnden, waaronder oppervlakkige verklaringen over zijn worsteling met zijn geaardheid, inconsistenties in zijn relaas, en het bewust verstrekken van onjuiste informatie bij de visumaanvraag. De rechtbank volgde de minister in deze beoordeling en concludeerde dat eiser onvoldoende persoonlijk inzicht en concrete details gaf over zijn relaties en ervaringen.

Daarnaast werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd, hoewel dit niet in het voornemen stond vermeld. De rechtbank constateerde een procedureel gebrek, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe en passeerde dit gebrek. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.49198
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Oegandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Kibuuka als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en daardoor in de problemen is gekomen. Hij benoemt daarvoor twee incidenten die hebben
plaatsgevonden in 2010 en 2022. In 2010 is eiser op school betrapt met een jongen genaamd [naam 1] , met wie hij stond te zoenen in de douche. Eiser is toen van school weggestuurd en door zijn ouders naar zijn tante gestuurd. Na 1,5 jaar kwam eiser bij zijn oom te wonen. Bij hem is hij in 2013 bekeerd tot de islam. Dit deed eiser om te proberen af te komen van zijn homoseksuele gevoelens. In 2016 heeft eiser een jongen genaamd [naam 2] op school leren kennen met wie hij een relatie begint. In 2021 heeft eiser een maand een relatie met een vrouw genaamd [naam 3] om zijn homoseksualiteit te verbergen. Met [naam 2] heeft hij dan ook nog steeds een relatie. In 2022 verklaart eiser dat hij en [naam 2] naar een bar zijn gegaan. Daar heeft [naam 2] eiser gezoend in een volle bar. Eiser probeerde hem tegen te houden, maar [naam 2] was dronken. Mensen in de bar vielen hen toen aan en riepen dat de politie gekomen was en vluchtten toen weg. Eiser is toen ook gaan rennen en wist te ontsnappen. [naam 2] lag op de grond en die heeft hij achtergelaten. Eiser zat vervolgens vanaf 28 november 2022 zeven maanden ondergedoken in het huis van zijn broer. Hij had alleen contact met zijn zus. Zij heeft eiser uiteindelijk in contact gebracht met een man genaamd [naam 4] . Hij heeft een visum en een paspoort voor eiser kunnen regelen zodat hij Oeganda kon ontvluchten. In juli 2023 heeft eiser het land verlaten. Hij vreest dat hij bij terugkeer zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. dat eiser homoseksueel is en hierdoor in Oeganda problemen heeft ervaren.
4.1.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig.
4.2.
Het tweede asielmotief acht de minister ongeloofwaardig, omdat eiser volgens hem onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard.1 De minister werpt de volgende elf punten tegen aan eiser:
1. eiser verklaart oppervlakkig over hoe het voor hem was om jarenlang te worstelen met zijn homoseksualiteit;
2. eiser heeft geen persoonlijk inzicht gegeven in zijn bekering tot de islam;
3. eiser maakt met zijn oppervlakkige verklaringen niet duidelijk hoe de worsteling met zijn gevoelens ten einde kwam;
4. eiser geeft met oppervlakkige en niet persoonlijke verklaringen geen inzicht in relatie met een vrouw genaamd [naam 3] en hoe het voor hem was om met een vrouw samen te zijn terwijl hij inmiddels zeker wist dat hij homoseksueel was;
5. eiser vertelt oppervlakkig en niet persoonlijk over [naam 1] waardoor niet duidelijk wordt waarom hij zo belangrijk voor eiser was;
6. eiser vertelt algemeen en onpersoonlijk over [naam 2] , waardoor er geen beeld van hem ontstaat terwijl hij erg belangrijk voor eiser is;
7. eiser is algemeen en niet persoonlijk over hoe het voor hem is om zijn geaardheid in Nederland openlijk te uiten en geen inzicht heeft gegeven in wat bijeenkomsten, bijvoorbeeld van het COC, hem persoonlijk brengen;
8. eiser verklaart ongerijmd over zijn problemen en onderduiking;
9. eisers acties samen met [naam 2] op de avond van het incident zijn ongerijmd met hoe hij verder omging met deze relatie;
1. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
10. eiser is inconsistent en ongerijmd over het verloop van het incident waardoor hij Oeganda heeft verlaten; en
11. eisers problemen met de overheid zijn gebaseerd op aannames.
4.3.
De minister acht het relaas eens te meer ongeloofwaardig vanwege het volgende. De minister wijst erop dat eiser bewust onjuiste informatie heeft gegeven teneinde een visum te verkrijgen en dat zijn verklaringen over zijn werkverleden niet eenduidig zijn. Ook vindt de minister dat eiser geen goede verklaring geeft voor het feit dat hij met een kind op zijn profielfoto staat op zijn sociale media, en dat het gebruik van zijn sociale media niet strookt met de verklaring dat eiser zijn telefoon heeft kwijtgeraakt.
4.4.
Gezien dit alles stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en ook geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister overweegt dat in Oeganda geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser krijgt een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar.
Geloofwaardigheid van het tweede asielmotief
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepschrift en ter zitting geen beroepsgronden heeft gericht tegen de door de minister tegengeworpen punten 3 en 11. Omdat deze punten niet zijn bestreden, laat de rechtbank deze buiten beschouwing. De rechtbank bespreekt de overige gronden in de volgorde waarin zij zijn aangevoerd.
Verklaringen over de worsteling van eiser met zijn geaardheid (punt 1)
5.1.
Eiser voert aan dat hij het niet eens is met de stelling dat hij oppervlakkig heeft verklaard over hoe zijn worsteling met zijn homoseksualiteit verliep. Hij verwijst hiervoor naar zijn zienswijze en de verklaringen die hij heeft afgelegd in het nader gehoor.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over de worsteling met zijn homoseksualiteit. Volgens eisers verklaringen heeft deze worsteling plaatsgevonden vanaf 2010 tot en met 2016, in de vormende periode van zijn 14e tot en met 20ste levensjaar. Eiser heeft verklaard dat hij eind 2009 ontdekte dat hij homoseksuele gevoelens had en dat zijn familie in 2010 hiervan op de hoogte kwam naar aanleiding van het incident met [naam 1] .2 Tot 2016 dacht eiser dat hij een ziekte had en probeerde hij door te bidden met zijn tante zijn gevoelens te veranderen. In 2013 is hij tot de islam bekeerd, in de hoop dat dit hem zou helpen van zijn homoseksuele gevoelens af te komen.3 Pas in 2016 heeft hij zijn gevoelens geaccepteerd doordat hij [naam 2] leerde kennen. Gelet op de lange en vormende periode waarin eiser heeft verklaard geworsteld te hebben met zijn homoseksualiteit, het feit dat hij bekend was met de situatie voor homoseksuelen in Oeganda, en de streng religieuze opvattingen van zijn familie, mocht de minister concluderen dat de door eiser afgelegde verklaringen oppervlakkig waren. Zo heeft hij geen inzicht gegeven in hoe het bidden hem beïnvloedde, waarom dit niet hielp en welk denkproces hij doormaakte. Evenmin is toegelicht hoe [naam 2] hem hielp zijn gevoelens te accepteren, na zes jaar lang te hebben geworsteld. De verwijzingen naar de zienswijze en de verklaringen in het nader gehoor leveren geen aanvullende inzichten op, aangezien deze inhoud juist hetgeen betreft wat de minister oppervlakkig heeft mogen vinden.
2 Zie pagina’s 16 en 17 van het nader gehoor.
3 Zie pagina 18 van het nader gehoor.
Bekering tot de islam (punt 2)
5.3.
Eiser stelt verder dat hij duidelijk heeft verklaard over het doel van zijn bekering tot de islam. Hij wilde namelijk afkomen van zijn gevoelens voor mannen. Volgens hem geeft die reden duidelijk weer welke gevoelens hierbij kwamen en welke overwegingen tot het besluit aanleiding waren geweest.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht vinden dat eiser geen persoonlijk inzicht heeft gegeven in zijn bekering tot de islam. Daarbij mocht de minister eiser tegenwerpen dat bekeren tot een ander geloof een grote, persoonlijke beslissing is, zeker nu het gaat om een geloof dat homoseksualiteit afkeurt. Tijdens het nader gehoor is aan eiser gevraagd hoe de bekering voor hem was, maar hij kon hier geen duidelijk antwoord op geven. Eiser heeft slechts verklaard dat zijn oom hem had overtuigd dat bekeerd worden tot de islam hem zou helpen zijn homoseksuele gevoelens te overwinnen.4 De minister mocht hieruit concluderen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in hoe hij deze ingrijpende beslissing heeft ervaren. Evenmin heeft eiser toegelicht hoe dit zich verhield tot zijn eerdere gestelde worsteling met zijn gevoelens en hoe hij hierop reflecteert. Gezien het referentiekader van eiser – een streng religieuze familie, de situatie voor homoseksuelen in Oeganda en hoe eiser zijn gevoelens uiteindelijk accepteerde – mocht van eiser worden verwacht dat hij hierover meer inzicht kon geven. Daarnaast heeft de minister erop kunnen wijzen dat eiser in Nederland openlijk over zijn homoseksualiteit kan spreken en deze daar accepteert, dat hij nog steeds moslim is, en dat er van hem ook daarom mocht worden verwacht dat hij meer inzicht zou geven in zijn bekering en hoe het voor hem is om als homoseksueel moslim te zijn.
Verklaringen over [naam 2] (punt 6)
5.5.
Voorts voert eiser aan dat hij duidelijk is geweest over zijn gevoel voor [naam 2] . Hij verwijst naar pagina’s 18 tot en met 23 van het nader gehoor en zijn eigen relaas. Hij ziet niet in wat hij nog meer zou moeten hebben verklaard over [naam 2] dan dat hij al heeft gedaan.
5.6.
De rechtbank is het met de minister eens dat eiser algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard over [naam 2] . Uit eisers verklaringen blijkt dat de relatie met [naam 2] zijn belangrijkste relatie met een man was. De relatie heeft van 2016 tot en met 2022 geduurd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat [naam 2] een einde maakte aan zijn jarenlange worsteling met zijn homoseksuele gevoelens, omdat hij door [naam 2] zijn gevoelens kon accepteren. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat [naam 2] daarmee een belangrijke rol in het leven van eiser moet hebben gespeeld. Tijdens het nader gehoor is eiser bevraagd over [naam 2] en of hij een concrete herinnering kon benoemen waaruit blijkt dat de relatie bijzonder voor hem was. Eiser heeft hierop enkel verklaard dat hij en [naam 2] sterke gevoelens voor elkaar hadden, om elkaar gaven, voor elkaar klaarstonden en [naam 2] een deel van zijn schoolgeld en huur betaalde.5 Op de vraag waar deze sterke gevoelens vandaan kwamen, antwoordde eiser dat hij [naam 2] miste en zich eenzaam voelde zonder hem. De minister stelt terecht dat deze verklaringen algemeen en onpersoonlijk van aard zijn en geen inzicht geven in wat [naam 2] en de relatie voor eiser bijzonder maakte. Evenmin geven deze verklaringen een concreet beeld van de relatie. Dit mocht de minister wel van eiser verwachten, temeer nu eiser heeft verklaard dat [naam 2] bepalend is geweest voor de
4 Zie pagina 19 van het nader gehoor.
5 Zie pagina 21 van het nader gehoor.
acceptatie van zijn homoseksuele gevoelens. Op de vraag waarom dat zo was, heeft eiser enkel verklaard dat [naam 2] hem deed beseffen dat hij niet de enige was met homoseksuele gevoelens.6 De minister merkt terecht op dat dit niet goed te rijmen valt met eisers eerdere verklaringen over [naam 1] , waaruit volgt dat eiser toen al wist dat hij niet de enige was met dergelijke gevoelens. De rechtbank merkt op dat dit onderdeel van de besluitvorming (punt 3) in beroep onbestreden is gebleven.
Verklaringen over [naam 3] (punt 4)
5.7.
Eiser heeft aangegeven dat de relatie met [naam 3] een schijnrelatie was. Dit was vooral zo bedoeld naar zijn zus toe, maar ook naar zijn familie en de buitenwereld. Eiser benadrukt dat hij heeft verklaard dat hij deze relatie is begonnen om ervoor te zorgen dat hij zijn zus niet zou kwijtraken. Hij wilde relatie met zijn zus niet op het spel zetten.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiser oppervlakkig en niet persoonlijk heeft verklaard over de relatie met [naam 3] , waardoor hij geen inzicht heeft gegeven in hoe het voor hem was om met een vrouw samen te zijn. Dit klemt temeer nu eiser ten tijde van de gestelde schijnrelatie een relatie had met [naam 2] en hij zeker wist dat hij homoseksueel was. Eiser heeft verklaard dat hij de relatie met [naam 3] is aangegeven in zijn homoseksualiteit te verbergen. Daarmee heeft hij echter geen inzicht gegeven in zijn gevoelens over deze relatie, noch in hoe het voor hem was om een relatie met een vrouw te hebben terwijl [naam 2] , naar eigen zeggen, zijn grote liefde was.7 Ook de beroepsgrond van eiser ziet uitsluitend op de reden voor het aangaan van de relatie en niet op de beleving daarvan. De enkele verwijzing naar punt 9 van de zienswijze maakt dit niet anders, nu ook daaruit niet blijkt hoe eiser deze relatie heeft ervaren. Enkel dat het moeilijk voor hem was om te doen alsof hij met een vrouw was. Zoals de minister terecht in de besluitvorming heeft benadrukt en ter zitting nader is toegelicht, heeft de relatie met [naam 3] slechts één maand geduurd. De minister heeft dit opmerkelijk mogen vinden, gelet op de verklaring van eiser dat hij zijn homoseksualiteit wilde verbergen, terwijl hij sinds 2010 met zijn gevoelens worstelde en pas in 2021 voor korte duur een relatie met een vrouw is aangegaan. Ook in beroep heeft eiser deze omstandigheid niet nader toegelicht.
Verklaringen over [naam 1] (punt 5)
5.9.
Eiser vindt ook dat hij in het nader gehoor heel duidelijk heeft verklaard over zijn gevoelens voor [naam 1] en verwijst naar pagina 10 tot en met 18 van het nader gehoor en zijn eigen relaas.
5.10.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de verklaringen die eiser over [naam 1] heeft afgelegd oppervlakkig en onpersoonlijk zijn, waardoor onvoldoende duidelijk wordt waarom [naam 1] voor eiser van betekenis was. Eiser heeft verklaard dat de relatie met [naam 1] begon als een vriendschap en dat zijn gevoelens voor [naam 1] veranderden omdat zij hecht met elkaar waren. Hij werd jaloers als [naam 1] met andere jongens omging.8 Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij alles met [naam 1] deelde en dat [naam 1] , slim, vriendelijk en aardig was.9 Gelet op eisers verklaring dat hij door [naam 1] voor het eerst ontdekte dat hij gevoelens had en dat hiermee het proces en de jarenlange worsteling met deze gevoelens zijn begonnen, mocht de minister van eiser verwachten dat hij meer inzicht kon geven over
6 Zie pagina 20 van het nader gehoor.
7 Zie pagina 21 van het nader gehoor.
8 Zie pagina 13 van het nader gehoor.
9 Zie pagina 14 van het nader gehoor.
[naam 1] , hun onderlinge relatie en zijn gevoelens voor hem. Hoewel de verklaringen zijn geplaatst in het perspectief van de jonge leeftijd van eiser ten tijde van deze relatie, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat deze verklaringen onvoldoende concreet zijn. De minister heeft ter zitting terecht betrokken dat eiser inmiddels ouder is en daardoor in staat moet worden geacht om met meer reflectie terug te kijken op deze relatie.
Verklaringen over uiten seksuele geaardheid in Nederland, bijvoorbeeld COC (punt 7)
5.11.
Ook over het uiten van zijn seksuele geaardheid in Nederland vindt eiser dat hij duidelijk heeft verklaard over de bijeenkomsten die hij via het COC heeft bijgewoond in Nederland. Hij verwijst naar pagina 27 van het nader gehoor en zijn zienswijze. Hij ontvangt informatie van diverse organisaties zoals gezondheidsvoorlichting en hij vindt het prettig om zijn ervaringen te kunnen uitwisselen met andere homoseksuele mannen. Hij voegt hieraan toe dat het fijn is om op deze wijze nieuwe vrienden te ontmoeten waarmee hij op stap kan gaan. Bovendien merkt eiser op dat deelname aan bijeenkomsten van de COC geen voorwaarde zijn om uit te kunnen gaan van de gestelde geaardheid en problemen.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiser algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard over hoe het voor hem is om zijn homoseksualiteit in Nederland openlijk te uiten. Ook mocht de minister vinden dat eiser geen inzicht heeft gegeven in wat de COC-bijeenkomsten hem persoonlijk hebben gebracht. Eiser heeft verklaard dat hij zich rustig, blij en herboren voelt nu hij zich openlijk kan uiten als homoseksueel.10 De minister heeft terecht opgemerkt dat hiermee niet duidelijk wordt waarom eiser zich – zoals hijzelf heeft verklaard - herboren voelt. Dit klemt temeer nu eiser, gevraagd hoe hij in Nederland invulling geeft aan het openlijk uiten van zijn geaardheid, enkel heeft verklaard dat hij bijeenkomsten van de COC bezoekt, zonder toe te lichten wat deze bijeenkomsten voor hem betekenen. Dat eiser ter zitting heeft gesteld dat de term ‘herboren’ mogelijk te overdreven is geformuleerd, maakt dit niet anders, nu hij deze nuancering niet eerder naar voren heeft gebracht. Dat het bezoeken van COC-bijeenkomsten op zichzelf geen vereiste is, is juist. Nu eiser echter zelf heeft verklaard dat hij dergelijke bijeenkomsten bezoekt en daaraan het gevoel van herboren zijn heeft gekoppeld, mocht de minister van hem verlangen dat hij inzichtelijk maakt waarom deze bijeenkomsten voor hem van betekenis zijn. Die toelichting is, zoals de minister terecht stelt, uitgebleven.
Verklaringen over onderduiken en problemen (punt 8)
5.13.
Eiser geeft aan dat hij tijdens zijn onderduikperiode maar heel sporadisch naar buiten ging. Als hij dat deed dan probeerde hij zich te bedekken met een pet of capuchon. Ten aanzien van het legaal kunnen uitreizen verwijst eiser naar onderdeel 17 van zijn zienswijze.
5.14.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn gestelde problemen en periode van onderduiking. De minister heeft ter zitting nader toegelicht dat de kern van dit onderdeel van de besluitvorming niet zozeer ziet op de problemen op zichzelf, maar vooral op de legale uitreis van eiser ondanks zijn stelling dat hij werd gezocht en dat hij zeven maanden heeft kunnen onderduiken zonder te worden ontdekt. De enkele verwijzing naar onderdeel 17 van de zienswijze, maakt dit niet anders, nu daarin slechts een herhaling van de eerdere afgelegde verklaring is opgenomen en niet wordt toegelicht waarom het standpunt van de minister op dit punt onjuist is. Gelet hierop
10 Zie pagina 26 van het nader gehoor.
mocht de minister vinden dat eiser met zijn verklaringen geen plausibele uitleg heeft gegeven over de gestelde onderduiking en de ongestoorde legale uitreis.
Verklaringen over [naam 2] op de avond van het incident (punten 9 en 10)
5.15.
Verder benadrukt eiser dat de menigte mensen op de avond van het incident met [naam 2] waren vertrokken omdat de politie ter plaatse kwam. Eiser stelt dat in het voornemen niet staat geschreven dat de politie niet ter plaatse kwam, dat staat alleen in het bestreden besluit, wat niet klopt. Eiser geeft verder aan dat hij heeft verklaard dat [naam 2] hem in een dronken bui in het openbaar heeft gezoend en dat hij geprobeerd heeft [naam 2] van zich af te duwen. [naam 2] ging echter door. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn gedrag wel is te verklaren door alcoholconsumptie.
5.16.
De rechtbank is ook op dit punt van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de avond van het incident met [naam 2] en de wijze waarop hij daarmee is omgegaan, hetgeen voor eiser aanleiding zou zijn geweest om Oeganda te verlaten. Uit eisers verklaringen volgt dat [naam 2] hem die avond verschillende keren heeft geprobeerd te zoenen. De minister heeft dit ter zitting deugdelijk toegelicht onder verwijzing naar pagina’s 7 en 8 van het nader gehoor. Uit die pagina’s blijkt dat [naam 2] eiser heeft geprobeerd te zoenen in zijn nek en op zijn mond. In het licht van eisers verklaringen dat hij en [naam 2] zich bewust waren van de risico’s van het openlijk uiten van hun relatie en dat zij daarover met elkaar spraken, heeft de minister mogen tegenwerpen dat niet duidelijk is waarom eiser [naam 2] niet duidelijker van zich heeft afgehouden, temeer nu eiser zelf geen alcohol had gedronken. Daarnaast heeft de minister terecht betrokken dat eiser afwisselend heeft verklaard over de aanwezigheid van de politie. Eiser heeft enerzijds verklaard dat de politie aanwezig was, terwijl hij later heeft verklaard dat hij slechts sirenes heeft gehoord.11 Hierdoor heeft eiser geen duidelijkheid verschaft over het tijdsverloop van die avond en of de politie daadwerkelijk ter plaatse is geweest. De stelling van eiser dat in het voornemen niet is vermeld dat de politie niet ter plaatse is gekomen, maar dat dat alleen in het bestreden besluit is vermeld, is niet juist. In het voornemen is reeds overwogen dat eiser niet heeft kunnen bevestigen dat een grote menigte plotseling uiteen is gegaan zonder dat duidelijk is geworden dat de politie is gekomen. Het bestreden besluit vormt in zoverre geen nieuwe tegenwerping, maar een nadere uitwerking van dezelfde onduidelijkheid in eisers verklaringen.
Geloofwaardigheid in grote lijnen
5.17.
Eiser voert voorts aan dat hij het visumdossier niet zelf heeft samengesteld, waardoor hem niet kan worden tegengeworpen dat hij doelbewust heeft gelogen. Hij kon het land niet verlaten zonder dat hij een visum had. Het vertrek uit Oeganda was volgens hem noodzakelijk, dus hij had het visum nodig. Hij stelt verder dat de verklaringen over zijn werk niet vaag zijn en verwijst naar onderdeel 19 van de zienswijze. Over het kindje op de profielfoto stelt eiser dat hij niet weet waarom in het nader gehoor of de correcties niet vermeld staat dat dit het kindje van zijn zus is. Over de verklaring dat eiser zijn telefoon zou zijn kwijtgeraakt tijdens zijn reis, terwijl hij op sociale media zijn hele reis kon vastleggen, stelt eiser dat de minister hem niet heeft gevraagd of hij meerdere telefoons had. Vandaar dat eiser daarover niets had verklaard.
11 Zie pagina 8 en 11 van het nader gehoor.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden aangemerkt. Hoewel de rechtbank de minister niet volgt in het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de wijze waarop hij het visum heeft geregeld, volgt zij de minister wel in het standpunt dat eiser bewust onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde een visum te verkrijgen. Eiser heeft in zijn zienswijze erkend dat de door hem verstrekte informatie onjuist was en dat zijn intentie was om een visum te verkrijgen. Daarmee staat vast dat eiser bij de visumaanvraag onjuiste informatie heeft laten verstrekken aan de ambassade. Dat eiser stelt dat een derde deze aanvraag voor hem heeft verzorgd, is niet relevant, nu eiser verantwoordelijk blijft voor de inhoud van de namens hem ingediende aanvraag en de daarbij overgelegde informatie. Ook heeft de minister mogen vinden dat eiser geen consistent beeld heeft gegeven van zijn werkverleden. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij als bouwvakker werkte, maar in het nader gehoor verklaard dat hij geen werk had, om vervolgens weer te stellen dat hij wel werk had, maar zonder vast contract.12 De enkele verwijzing naar onderdeel 19 van de zienswijze brengt hierin geen duidelijkheid en slaagt daarom niet. Voorts mocht de minister erop wijzen dat niet is ingezien waarom eiser pas in de zienswijze heeft verklaard dat het kindje op zijn profielfoto op sociale media zijn neefje zou zijn, terwijl hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet wist wie het kindje was. Eiser heeft geen verklaring gegeven voor deze late toelichting. Het enkel stellen dat hij niet weet waarom dit niet eerder is vermeld, doet hieraan niet af en maakt de inconsistenties in zijn verklaringen niet ongedaan. Ten slotte doet het feit dat eiser stelt dat aan hem niet is gevraagd of hij een andere/tweede telefoon had niet af aan de onduidelijkheid over de vraag hoe het kan dat eiser ondanks het gestelde verlies van zijn telefoon zijn reis naar Nederland online heeft gedeeld. De minister heeft zich in dat kader op het standpunt mogen stellen dat eiser geen verschoonbare reden heeft gehad om niet van meet af aan te melden dat hij meerdere telefoons bezat. Eiser heeft tijdens het nader gehoor immers meerdere malen over zijn telefoon (en dat hij die had verloren) verklaard.
Conclusie geloofwaardigheid van het tweede asielmotief
5.19.
Gelet op het voorgaande heeft de minister mogen vinden dat het tweede asielmotief van eiser, dat hij homoseksueel is en hierdoor problemen in Oeganda heeft ervaren, ongeloofwaardig is.
Inreisverbod
6. Eiser is het verder niet eens met het opleggen van het aan hem uitgevaardigde inreisverbod van twee jaar, omdat de minister daarvoor geen enkele motivatie geeft. Hij wijst erop dat het inreisverbod pas bij het uitvaardigen van het bestreden besluit is opgelegd, en dat het voornemen niets staat beschreven over een inreisverbod. Daardoor
heeft eiser geen zienswijze kunnen geven over een inreisverbod. Daarnaast is eiser het niet eens met de verwijzing naar artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, nu eiser Nederland niet onmiddellijk behoeft te verlaten maar binnen vier weken.
6.1.
Uit het dossier blijkt dat de minister in het voornemen geen inreisverbod aan eiser heeft opgelegd. Pas in het bestreden besluit heeft de minister inreisverbod tegengeworpen onder verwijzing naar artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de omstandigheid dat eiser geen zienswijze heeft gegeven over het inreisverbod. De minister
12 Zie pagina 7 van het aanmeldgehoor en pagina’s 9 en 25 van het nader gehoor.
heeft in zijn verweerschrift en ter zitting erkend dat er geen grondslag is voor een inreisverbod en gesteld dat dit een kennelijke verschrijving betreft.
6.2.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn ter zitting ingenomen stelling dat eiser uit het ontbreken van het inreisverbod in het dictum van het bestreden besluit en uit de van toepassing zijnde vertrektermijn van vier weken, had kunnen begrijpen dat het inreisverbod niet gold en slechts per abuis in het bestreden besluit is vermeld. Op pagina 4 van het bestreden besluit is immers uitdrukkelijk een inreisverbod opgenomen, met de toevoeging dat de zienswijze van eiser daartegen niet spreekt. Deze vermelding van het inreisverbod in het bestreden besluit heeft onduidelijkheid gecreëerd, die voor rekening en risico komt van de minister en niet van eiser. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft immers uitdrukkelijk bevestigd en onderkend dat geen inreisverbod is opgelegd onder verwijzing naar het dictum van het bestreden besluit. Het beroep zal daarom niet gegrond worden verklaard. Wel heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten, zoals nader uiteengezet in rechtsoverweging 7 van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat de rechtbank op het punt van het per abuis vermelde inreisverbod in het bestreden besluit op pagina 4 een gebrek heeft geconstateerd, en dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft gepasseerd, ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op €1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • het beroep ongegrond; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
zaaknummer: NL25.49198
10
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 februari 2026

Documentcode: [documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.