ECLI:NL:RBDHA:2026:6639
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling
Eiser, een Pakistaanse vreemdeling die vanuit Oekraïne naar Nederland kwam vanwege de invasie, had rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister beëindigde dit verblijfsrecht per 4 maart 2024 en legde op 7 augustus 2025 een terugkeerbesluit op. Eiser betwistte dit besluit en stelde dat het prematuur was vanwege een bevriezingsmaatregel die zijn verblijf tot 4 september 2025 zou beschermen.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit een vervangend besluit was voor het eerdere besluit van 23 augustus 2023, dat was ingetrokken. Hierdoor was het beroep tegen dat eerdere besluit niet-ontvankelijk, maar eiser kreeg wel proceskostenvergoeding wegens onrechtmatigheid van dat besluit.
Inhoudelijk verwierp de rechtbank het verweer dat het terugkeerbesluit prematuur was. De bevriezingsmaatregel werd gezien als een feitelijke opschorting en niet als een voortzetting van het rechtmatig verblijf onder de RTB. Het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie werd toegepast om te bevestigen dat het terugkeerbesluit na het einde van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 terecht was genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van € 934,- aan proceskosten. Eiser moet binnen de gestelde termijn terugkeren naar Pakistan.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 wordt bevestigd en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.