ECLI:NL:RBDHA:2026:6639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL23.31207
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling

Eiser, een Pakistaanse vreemdeling die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie, had rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister legde op 7 augustus 2025 een terugkeerbesluit op, waarbij het verblijfsrecht per 4 maart 2024 werd beëindigd en de bevriezingsmaatregel stopte op 4 september 2025.

Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was omdat hij nog onder de bevriezingsmaatregel viel en verwees naar het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank oordeelde dat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting is en geen legaal verblijf op grond van facultatieve tijdelijke bescherming, waardoor het terugkeerbesluit terecht is opgelegd.

Het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dat besluit was ingetrokken en vervangen. De rechtbank veroordeelde de minister wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit.

De rechtbank besloot het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond te verklaren, waardoor eiser binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Pakistan. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. Spelt en griffier M.M. Tank op 25 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Pakistan binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31207

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: D. Meier).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 7 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. [2]
2.1.
In een besluit van 23 augustus 2023 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 september 2023. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft de minister vervolgens bij brief van 26 februari 2024 het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken.
2.2.
Op 7 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt.
2.3.
Partijen zijn per brief van 9 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven om de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiser heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het besluit van 7 augustus 2025 als vervangend besluit van het besluit van 23 augustus 2023 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
3.1.
Nu het besluit van 23 augustus 2023 is ingetrokken [4] en vervangen door het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit onrechtmatig is genomen. [5] De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Prematuur terugkeerbesluit
4. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 prematuur is, omdat hij onder de bevriezingsmaatregel viel tot 4 september 2025 en daardoor rechtmatig verblijf had op het moment van het opleggen van dit besluit. Hij verwijst in dit kader naar het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024. [6]
4.1.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat de omstandigheid dat eiser tot 4 september 2025 viel onder de bevriezingsmaatregel niet aan de weg staat aan het opleggen van het terugkeerbesluit. De bevriezingsmaatregel kan namelijk niet anders worden gekwalificeerd dan een feitelijke opschorting van de rechten die voortvloeien uit de RTB. De bevriezingsmaatregel betekende niet dat eiser legaal op het grondgebied verbleef op grond van de facultatieve bescherming waarover het Hof heeft geoordeeld dat dit in de weg staat aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Zoals volgt uit het arrest Kaduna en Abkez is de tijdelijke bescherming op grond van de RTB vanaf 4 maart 2024 beëindigd. Het bestreden besluit is na die datum opgelegd, waardoor het niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn is genomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 23 augustus 2023, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Pakistan.
5.1.
Omdat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 23 augustus 2023 het gevolg is van een intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Dat volgt uit de brief van de minister van 26 februari 2024.
5.Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
6.ECLI:EU:C:2024:1038.