ECLI:NL:RBDHA:2026:6633
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor rechtmatig verblijf tijdens beroepsprocedure
Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier die door de minister werd afgewezen. Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De behandeling van het beroep is aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om rechtmatig verblijf te verkrijgen gedurende de beroepsprocedure, stellende dat dit noodzakelijk was voor het afronden van zijn re-integratie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gevraagde voorziening een te verstrekkend karakter heeft en niet langer als voorlopig kan worden beschouwd.
De voorzieningenrechter stelde dat een dergelijke voorziening slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegekend, namelijk bij een zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit. Dit was hier niet het geval, mede omdat verzoeker pas laat een voorlopige voorziening vroeg en er geen bewijs was dat het ontbreken van rechtmatig verblijf de re-integratie daadwerkelijk belemmerde.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is en dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor rechtmatig verblijf tijdens de beroepsprocedure is afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegend spoedeisend belang.