De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag behandelde op 18 december 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak. De minister van Asiel en Migratie had eerder het verblijfsrecht van verzoeker per 14 maart 2022 beëindigd en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening omdat hij de uitkomst van het beroep niet in Nederland mocht afwachten.
Op de zitting werd ook een getuige gehoord, de moeder van een betrokkene. De voorzieningenrechter constateerde dat de bodemzaak inmiddels was beslist (zaaknummer NL25.23716), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De voorzieningenrechter veroordeelde de minister tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten voor de rechtsbijstand, vastgesteld op € 934,-. Daarnaast werd bepaald dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. G. Schnitzler en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.