ECLI:NL:RBDHA:2026:6626

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.23717
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na bodemuitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag behandelde op 18 december 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak. De minister van Asiel en Migratie had eerder het verblijfsrecht van verzoeker per 14 maart 2022 beëindigd en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening omdat hij de uitkomst van het beroep niet in Nederland mocht afwachten.

Op de zitting werd ook een getuige gehoord, de moeder van een betrokkene. De voorzieningenrechter constateerde dat de bodemzaak inmiddels was beslist (zaaknummer NL25.23716), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De voorzieningenrechter veroordeelde de minister tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten voor de rechtsbijstand, vastgesteld op € 934,-. Daarnaast werd bepaald dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. G. Schnitzler en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bodemzaak is beslist.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23717
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: I.A.G. Lodders).

Procesverloop

De minister heeft met het besluit van 6 maart 2025 vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser per 14 maart 2022 is geëindigd. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij dit besluit gebleven en heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij de uitkomst van het beroep niet in Nederland mag afwachten.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Op de zitting is als getuige gehoord [persoon1] , de moeder van [persoon2] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.23716, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
5. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De kosten voor het bijwonen van de zitting worden toegekend in de hoofdzaak.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.