Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6622

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/09/681722 / HA ZA 25-234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:28 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting legaat en verrekening tegenvorderingen in nalatenschap

De zaak betreft een geschil over de afgifte van een legaat uit de nalatenschap van een overleden vader, waarbij zijn partner (eiseres) aanspraak maakt op een legaat van maximaal € 200.000. De kinderen van de overledene (gedaagden) betwisten dit en stellen dat diverse bedragen die aan eiseres zijn overgemaakt, onrechtmatig zijn en vorderen terugbetaling via verrekening.

De rechtbank oordeelt dat eiseres recht heeft op het maximumlegaat, maar dat gedaagden een tegenvordering van € 64.019 kunnen verrekenen met het legaat. Deze tegenvordering betreft onder meer bedragen die zonder voldoende bewijs als onverschuldigd of onrechtmatig zijn aangemerkt, de waarde van een auto in bezit van eiseres, en de waarde van goederen uit de nalatenschap die eiseres heeft meegenomen.

De overige vorderingen van gedaagden worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de overboekingen met toestemming van erflater zijn gedaan. De rechtbank compenseert de proceskosten tussen partijen en veroordeelt gedaagden tot betaling van het resterende legaatbedrag met wettelijke rente.

Uitkomst: Na verrekening van tegenvorderingen wordt het resterende legaatbedrag van € 135.891 met rente aan eiseres toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/681722 / HA ZA 25-234
Vonnis bij vervroeging van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. W.J.G. Schröder,
tegen
[gedaagde 1]te [woonplaats 1] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
niet verschenen,
[gedaagde 2]te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. L.E. de Wal,
[gedaagde 3]te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
advocaat: eerder mr. J.M.H. Devis, nu mr. A.E.P.R. Noij,
[gedaagde 4]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
advocaat: mr. L.E. de Wal,
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden hierna samen ook kortweg ‘gedaagden’ genoemd.

1.De zaak in het kort

[eiseres] heeft een affectieve relatie met de vader van gedaagden (erflater) gehad tot aan diens overlijden. In het testament van erflater is opgenomen dat gedaagden erfgenamen zijn en dat een (maximum)bedrag aan [eiseres] wordt gelegateerd. Vanaf de bankrekening van erflater zijn in de loop der tijd meermaals bedragen overgeboekt op de bankrekening van [eiseres] . [eiseres] maakt in conventie aanspraak op betaling van het legaat. Volgens [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn de overboekingen van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] gedaan bij wijze van geldlening ofwel zonder medeweten van erflater en zijn er (vanuit de nalatenschap) nog verdere vorderingen op [eiseres] . Zij beroepen zich in conventie op verrekening met de gestelde tegenvorderingen, en vorderen in reconventie de betaling daarvan.
De rechtbank komt tot het oordeel dat er een tegenvordering van € 64.019 is op [eiseres] . In zoverre slaagt in conventie het beroep op verrekening. Het na verrekening resterende legaatbedrag wordt aan [eiseres] toegewezen en de vorderingen in reconventie worden afgewezen. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 21 februari 2025, met producties 1 tot en met 11, waarbij [eiseres] mr. B.H. Knoop-Bergsma QQ en mr. M. Zandbergen QQ heeft gedagvaard, in hun hoedanigheid van executeurs-testamentair in de nalatenschap van de heer [erflater] (hierna: erflater);
- de akte inroeping schorsing van mr. Knoop-Bergsma QQ en mr. Zandbergen QQ;
- de doorhaling van de procedure tegen mr. Knoop-Bergsma QQ en mr. Zandbergen QQ;
- de oproeping van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in deze procedure bij exploot van 30 juni 2025;
- het tegen [gedaagde 1] verleende verstek;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde 3] , met producties 1 tot en met 4;
- het tussenvonnis van 3 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, zoals verbeterd bij verbetervonnis van 21 januari 2026;
- de conclusie van antwoord in reconventie.
2.2.
Op 2 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2.3.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
Erflater, geboren op [datum 1] 1946 en overleden op [datum 2] 2021, is de vader van gedaagden.
3.2.
[eiseres] en erflater hebben elkaar in 2013 leren kennen. Zij hebben een affectieve relatie gekregen die tot het overlijden van erflater heeft voortgeduurd.
3.3.
In ieder geval vanaf 2017 zijn diverse bedragen overgeboekt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] .
3.4.
Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 24 juli 2020 (hierna: het testament). In het testament zijn gedaagden voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd en is [gedaagde 1] tot executeur-testamentair benoemd. Verder is in het testament opgenomen dat erflater aan zijn partner, [eiseres] , een contant bedrag legateert. Dit bedrag is gelijk aan een zesde gedeelte van de waarde van zijn vermogen op zijn sterfdag, gemaximeerd tot € 200.000. Het legaat wordt acht maanden na zijn overlijden opeisbaar en er is pas sprake van verzuim na ingebrekestelling.
3.5.
Bij beschikking van 11 november 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag is [gedaagde 1] op eigen verzoek ontslagen als executeur-testamentair. Mr. Knoop-Bergsma QQ en mr. Zandbergen QQ (hierna: de voormalig executeurs) zijn op 30 juni 2023 benoemd als executeurs-testamentair in de nalatenschap van erflater. Bij beschikking van 22 april 2025 zijn ook zij ontslagen als executeurs in de nalatenschap van erflater. Gedaagden zijn als erfgenamen thans gezamenlijk verantwoordelijk voor de vereffening van de nalatenschap van erflater.
3.6.
[eiseres] heeft aanspraak gemaakt op het legaat.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiseres] vordert, samengevat en bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de veroordeling van gedaagden tot afgifte van het legaat van € 200.000 vermeerderd met de vertragingsrente vanaf (primair) 22 februari 2022, tot aan de dag van betaling, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
4.2.
[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Erflater heeft haar in zijn testament een legaat nagelaten van een zesde gedeelte van de waarde van zijn vermogen op zijn sterfdag, tot maximaal € 200.000. De nalatenschap is toereikend voor de afgifte van het maximumlegaat, zodat zij recht heeft op betaling van dit bedrag.
4.3.
[gedaagde 3] refereert zich voor wat betreft de vordering in conventie aan het oordeel van de rechtbank. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering in conventie.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[gedaagde 3] vordert, samengevat en bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de veroordeling van [eiseres] tot voldoening aan de nalatenschap van erflater van een bedrag van € 245.645,49 verhoogd met de waarde van de auto plus contante opnames althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
4.6.
[gedaagde 3] stelt daartoe dat zonder medeweten en toestemming van erflater en derhalve ten onrechte en zonder rechtsgrond bedragen zijn overgemaakt aan [eiseres] vanaf de bankrekening van erflater. [gedaagde 3] vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld deze bedragen terug te betalen. Voorts is [eiseres] in het bezit van een auto die van erflater was, waarvan ze de waarde aan de nalatenschap moet vergoeden. Ook moet [eiseres] een geldbedrag dat ze na overlijden van erflater heeft meegenomen aan de nalatenschap terugbetalen, aldus nog steeds [gedaagde 3]
4.7.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] vorderen, samengevat en bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de veroordeling van [eiseres] tot betaling op de bankrekening van de nalatenschap van de volgende bedragen:
- € 230.944,82, te vermeerderen met de bancaire rente vanaf het moment van overlijden tot het moment van betaling van het bedrag aan de nalatenschap;
- € 3.600 in verband met de betaling van contanten en het gebruik van de woning van erflater in Nederland;
- € 9.500 met betrekking tot de auto;
- € 1.630 en € 549 met betrekking tot de door [eiseres] respectievelijk meegenomen vrieskist wasmachine;
II. de veroordeling van [eiseres] om binnen twee weken na afgifte van het vonnis een lijst op te stellen van de goederen uit de nalatenschap die ten onrechte in het bezit zijn van [eiseres] en afgifte van de goederen op die lijst op een door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] te bepalen datum;
4.8.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] leggen aan hun vordering ten grondslag dat voor het overlijden van erflater al een bedrag van € 230.944,82 naar de bankrekening van [eiseres] is overgemaakt, dat erflater hiervan wist en tegen haar zal hebben gezegd dat ze het bedrag na overlijden van erflater, middels het testament, mag houden. Voorts stellen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] dat diverse gelden en goederen zonder rechtsgrond bij [eiseres] terecht zijn gekomen waardoor zij zichzelf onrechtmatig heeft verrijkt en dat zij deze moet terugbetalen dan wel vergoeden.
4.9.
[eiseres] voert verweer tegen de vorderingen in reconventie van [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] en concludeert tot afwijzing daarvan.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] , gelet op de omvang van de nalatenschap, aanspraak heeft op het maximumlegaat van € 200.000. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. [gedaagde 3] heeft zich geconformeerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het legaat. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben zich beroepen op verrekening met tegenvorderingen. De rechtbank is van oordeel dat gedaagden een bedrag van € 64.019 kunnen verrekenen met het aan [eiseres] toegekende legaat. De rechtbank licht hieronder toe waarom. Daarbij zal zij één voor één de verschillende bedragen die zijn besproken en/of gevorderd beoordelen.
5.2.
[gedaagde 3] heeft in het petitum van haar conclusie van eis een bedrag gevorderd van € 245.645,49. Haar vordering heeft ze toegelicht met een verwijzing naar de brief van 8 oktober 2023 van de voormalig executeurs. In deze brief hebben de voormalig executeurs aan [eiseres] geschreven dat ze een bedrag van € 230.944,82 aan de nalatenschap verschuldigd is. [gedaagde 3] heeft niet toegelicht waarom ze niet het bedrag van € 230.944,82 vordert maar het bedrag van € 245.645,49. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 3] gezegd dat ze bedoelt een bedrag van € 230.944,82 te vorderen. Daarom zal de rechtbank bij de behandeling van de vorderingen van [gedaagde 3] het bedrag van € 230.944,82 tot uitgangspunt nemen.
Bedrag van € 230.944,82
5.3.
[gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben erop gewezen dat de voormalige executeurs in een brief van 8 oktober 2023 hebben geschreven dat [eiseres] uit het vermogen van erflater een bedrag tot haar beschikking heeft gekregen van € 230.944,82. In de brief is verwezen naar een bijlage met een specificatie van dit bedrag. [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] vorderen de veroordeling van [eiseres] tot terugbetaling van dit bedrag aan de nalatenschap, te verhogen met rente. Zij hebben dit bedrag als volgt toegelicht.
Bedragen van totaal € 200.000
5.4.
Op 18 en 19 maart 2019 is steeds € 50.000 overgemaakt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] , dus in totaal € 100.000. Ook op 13 en 16 mei 2020 is steeds € 50.000 overgemaakt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] , ook in totaal € 100.000. Voorts is op 27 oktober 2020 en op 18 december 2020 steeds nog eens € 50.000 overgemaakt vanaf de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] , eveneens in totaal € 100.000. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 300.000. Op 23 en 24 mei 2020 is een bedrag van in totaal € 100.000 overgeboekt van de bankrekening van [eiseres] naar de bankrekening van erflater.
5.5.
[gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] vorderen in verband met deze overboekingen een bedrag van € 200.000 van [eiseres] . [gedaagde 2] en [gedaagde 4] stellen daartoe in hun conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie het volgende. Erflater had de laatste twee jaren van zijn leven steeds meer behoefte aan zorg en [eiseres] was mantelzorger. Daardoor werd hij steeds meer afhankelijk van haar. Zij gaf hem medicijnen en voeding, maar hij verzwakte steeds meer waardoor hij regelmatig naar het ziekenhuis moest om aan te sterken. In mei 2020 is hij naar het ziekenhuis gegaan en hij is daar enige tijd gebleven. [gedaagde 1] die toegang had tot de bankrekening van erflater heeft toen op zijn bankrekening gezien dat in mei 2020, toen hij al in het ziekenhuis lag, twee keer een bedrag van € 50.000 is overgemaakt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] . Op 23 mei en op 24 mei 2020 zijn die bedragen weer teruggeboekt. Dat kwam volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] omdat erflater dat aan [eiseres] had gevraagd, nadat [gedaagde 1] hem op de overboekingen had gewezen. Door deze verduistering wilde erflater niets meer nalaten aan [eiseres] . Erflater had gezegd dat hij geen testament had. Het testament met het legaat aan [eiseres] kwam dan ook als een verrassing. Gedaagden vonden het ook opmerkelijk dat [eiseres] het testament pas een week na het overlijden van erflater aan gedaagden gaf. Het testament is opgesteld door een voor erflater vreemde notaris. Na het overlijden hebben gedaagden bepaalde dingen ontdekt in de administratie van erflater. Zo was (i) alle WhatsApp communicatie met [eiseres] en gedaagden gewist, (ii) werden er geen stukken over geldleningen aangetroffen terwijl er veelvuldig leningen aan [eiseres] en derden waren verstrekt en (iii) had [eiseres] toegang tot de computer van erflater, die niet locked was. Dat sprake was van leningen aan [eiseres] bleek uit de vermeldingen bij de overschrijving van bedragen van erflater aan [eiseres] . Delen daarvan betaalde ze zo nu en dan terug, maar de leningen zijn nooit geheel afgelost. [eiseres] heeft zelf de overboekingen gedaan waarmee de bedragen van steeds € 50.000 in 2019 en 2020 zijn overgemaakt naar haar bankrekening. Dit volgt onder meer uit de omschrijvingen bij de overboekingen. Erflater was boekhouder en verantwoordde altijd elke overboeking minutieus en gebruikte daarbij nooit de afkorting “DM”. Voorts was erflater in 2019 aan het bouwen in Suriname en daar had hij zijn geld voor nodig. Hij was niet bezig met zijn overlijden. De diagnose voor de zeldzame bloedziekte die hij had, kwam in 2020.
Ondanks dat erflater verzwakt raakte, probeerde hij zelf zijn administratie te doen. [gedaagde 2] zag op enig moment, toen zij bij erflater was, dat hij in de war was en dat eiseres hem aanwijzingen aan het geven was terwijl hij achter de computer zat. [eiseres] heeft ook berichten uit naam van erflater geschreven alsof hij dat was, en ook een brief i/o voor hem ondertekend. Vervolgens hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] wel geconcludeerd dat erflater wist dat [eiseres] al dat geld onder zich had, maar aan [eiseres] ongetwijfeld bij leven zal hebben laten weten dat ze dat na zijn overlijden, middels het testament, mocht
behouden.
5.6.
[gedaagde 3] heeft in haar conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie gesteld dat [eiseres] de aan haar overgemaakte bedragen zelf heeft overgemaakt zonder toestemming of medeweten van erflater, en dat dit derhalve ten onrechte en zonder rechtsgrond is gebeurd. Verder heeft [gedaagde 3] verwezen naar de inhoud van de brief van de voormalig executeurs van 8 oktober 2023. Aan dit laatste gaat de rechtbank voorbij. Het is aan procespartijen om ten aanzien van producties toe te lichten dat en waarom de rechtbank kennis moeten nemen van bepaalde delen van producties. Daarbij is het niet voldoende als wordt gemeld dat de inhoud van de productie als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
5.7.
[eiseres] heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] . Per deelbetaling zal de rechtbank dit verweer bespreken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in het procesdossier onvoldoende feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat erflater niet meer zelf kon bepalen wat hij wilde. Er is geen bewind of curatele voor erflater aangevraagd. Er zijn geen medische documenten overgelegd waaruit volgt dat erflater leed aan een ziekte waardoor hij zijn eigen wil niet meer kon bepalen. De omstandigheid dat erflater ziek was en steeds verder verzwakte is daarvoor onvoldoende. Tijdens de mondelinge behandeling is nog verteld dat [gedaagde 1] , die huisarts is, zich wel zorgen heeft gemaakt over de geestestoestand van erflater. Maar uit niets volgt dat iemand op dat moment actie heeft ondernomen. Hieruit volgt dat erflater geacht wordt tot zijn overlijden wilsbekwaam en handelingsbekwaam te zijn geweest.
Overboekingen maart 2019
5.8.
[eiseres] heeft aangevoerd dat erflater in maart 2019 een bedrag van in totaal € 100.000 aan haar heeft geschonken. De stellingen van [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] komen erop neer dat [eiseres] dit bedrag aan zichzelf heeft overgemaakt zonder dat erflater dit heeft geweten, ofwel dat sprake was van een lening die [eiseres] moet terugbetalen, al dan niet door verrekening met het aan [eiseres] gelegateerde bedrag. De stelplicht en bewijslast dat sprake is geweest van onverschuldigde betaling, onrechtmatige overboekingen ofwel overeenkomsten van geldlening, rust steeds op [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] . De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] noch voor de ene noch voor de andere conclusie voldoende hebben gesteld. Zij hebben weliswaar gesteld dat voor dit bedrag geen aangifte schenkingsbelasting is gedaan, maar ze hebben tevens gesteld dat erflater probeerde zo min mogelijk belasting te betalen. Als sprake was van een lening, geldt daarvoor dat ook niet is gesteld of anderszins gebleken dat erflater deze lening in zijn belastingaangifte heeft meegenomen. In de administratie van erflater is geen documentatie ten aanzien van deze mogelijke lening aangetroffen. Ook uit de overschrijving volgt niet dat het de bedoeling was van erflater om een lening te verstrekken. Dat erflater niet heeft geweten van de overboekingen, acht de rechtbank onaannemelijk. Erflater was boekhouder. Het gaat om grote bedragen. [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat bij het overlijden van erflater een bedrag aanwezig was van ongeveer € 400.000. Als bij die orde van grootte een bedrag van € 100.000 buiten zijn wil er niet meer is, moet dat aan erflater zijn opgevallen. Volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] was erflater in 2019 onder meer in Suriname voor de bouw van zijn woning. Daarbij past niet dat erflater op dat moment al zo zwak was dat hij geen overzicht meer had ten aanzien van zijn financiën. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben ook geschreven dat erflater wist van de overboekingen. Nu [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] voor wat betreft de overboekingen in maart 2019 onvoldoende hebben gesteld voor de conclusie dat [eiseres] een bedrag van € 100.000 aan de nalatenschap moet betalen, zal de rechtbank dit gedeelte van de vorderingen afwijzen.
Overboeking oktober 2020
5.9.
Op 27 oktober 2020 is een bedrag van € 50.000 overgeboekt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] . Een paar dagen later is dit bedrag opgenomen. [eiseres] heeft geschreven dat erflater wilde dat dit bedrag in de kluis werd gestopt en dat dit ook is gebeurd. [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben aangevoerd dat bij overlijden van erflater geen bedrag van € 50.000 is aangetroffen in een kluis van erflater. [eiseres] heeft dit niet weersproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ze verteld dat erflater met dit bedrag onderhoudswerkzaamheden heeft betaald aan de huizen die hij voor zijn overlijden nog in zijn bezit had. Ook dit hebben [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] weersproken. Zij hebben aangevoerd dat erflater in de laatste periode van zijn leven helemaal geen onderhoud heeft gepleegd aan zijn woningen.
5.10.
In de procedure zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat erflater in de laatste fase van zijn leven onderhoudswerkzaamheden heeft laten verrichten waarvoor hij met contanten heeft betaald. Er zitten geen werkopdrachten of rekeningen in het dossier. Verder heeft [eiseres] op dit punt tegenstrijdige verklaringen afgelegd, door eerst te schrijven dat het geld in een kluis zat en vervolgens niet te ontkennen dat er helemaal geen geld in de kluis zat, maar te vertellen dat er onderhoudswerkzaamheden van zijn betaald. Vast staat dat het geld naar de bankrekening van [eiseres] is overgemaakt. Zij heeft niet weersproken dat het geld, ondanks deze overboeking nog aan erflater toekwam. Zij hield het kennelijk onder zich voor erflater. Zij heeft geen afdoende verklaring gegeven over de besteding van het geld door erflater. Dit betekent dat zij geacht wordt het geld nog onder zich te hebben en dit bedrag van € 50.000 nog aan de nalatenschap moet betalen.
Overboeking 18 december 2020
5.11.
Op 18 december 2020 is nogmaals een bedrag van € 50.000 van de bankrekening van erflater overgemaakt naar de bankrekening van [eiseres] . [eiseres] heeft aangevoerd dat erflater dit bedrag aan haar heeft geschonken. Volgens [eiseres] had erflater een gunstige belegging gedaan en wilde hij de winst daarvan met haar delen. [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben dit ontkend en handhaven derhalve hun stelling dat het een onverschuldigde betaling ofwel onrechtmatige overboeking betreft. Zij hebben daartoe onder meer gesteld dat met de beleggingsrekening van erflater in die periode helemaal niet een gunstig beleggingsresultaat was behaald. Zij hebben hiervan echter geen stukken overgelegd.
5.12.
Erflater was op het moment van de overboeking van het bedrag thuis. Hij is op 15 januari 2021 weer in het ziekenhuis opgenomen en een week later overleden. De stelling van [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] dat [eiseres] de overboeking heeft gedaan, heeft zij niet weersproken. Deze omstandigheid is echter onvoldoende voor de conclusie dat sprake was van een onverschuldigde betaling. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben in de dagvaarding geschreven dat erflater wist van de overboekingen. Dit sluit aan bij de stellingen van [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] dat erflater, ook toen hij zwak was, zich nog bezig hield met zijn administratie. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat erflater heeft geweten dat een bedrag van € 50.000 naar [eiseres] is overgemaakt. Mede in het licht van de omstandigheid dat bij zijn overlijden kennelijk een bedrag van ongeveer € 400.000 aanwezig was, waardoor het een aanzienlijk deel van zijn vermogen betrof. [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben nog wel gesteld dat erflater niet meer beschikte over zijn telefoon. Juist via een bank-app op de telefoon zijn bankrekeningen goed toegankelijk. Maar als erflater zich nog bezig hield met zijn administratie zal hij ook om zijn telefoon hebben kunnen vragen. En als erflater deze dan niet had gekregen, had hij zich hierover kunnen beklagen bij zijn dochters. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat erflater het niet eens was met de overboeking. Hij had dit immers bij zijn dochters kunnen aankaarten, die erflater in deze periode nog zagen. Dit is kennelijk niet gebeurd. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat erflater, die geacht wordt wilsbekwaam en handelingsbekwaam te zijn in december 2024 en heeft geweten van de overboeking, deze heeft goedgekeurd, zoals ook [gedaagde 2] en [gedaagde 4] lijken te onderschrijven. Uit niets volgt dat erflater met [eiseres] heeft besproken dat het een voorschot op het legaat betrof. Gelet op dit een en ander hebben [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hun stelling dat sprake was van een onverschuldigde betaling onvoldoende toegelicht. Dit betekent dat [eiseres] het bedrag niet terug hoeft te betalen aan de nalatenschap.
Overboeking(en) van € 1.500
5.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat van de bankrekening van erflater na zijn overlijden een bedrag van € 1.500 is overgemaakt naar [eiseres] . Dit bedrag is ook opgenomen in het door de executeurs gevorderde bedrag van € 230.944,82. [eiseres] heeft niet bestreden dat zij dit bedrag aan de nalatenschap moet terugbetalen. In hun conclusie van antwoord in conventie hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] verder nog gewezen op betalingen van € 1.500 per maand die voor overlijden van erflater gedurende een aantal maanden van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [eiseres] zijn overgemaakt. Van deze bedragen hebben de executeurs in hun brief van 8 oktober 2023 geschreven dat die niet worden teruggevorderd. Deze bedragen maken dus geen onderdeel uit van het bedrag van € 230.944,82. Voor het overige hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] deze bedragen in reconventie niet gevorderd van [eiseres] . Een en ander betekent dat de rechtbank zal bepalen dat [eiseres] een bedrag van € 1.500 aan de nalatenschap moet betalen.
Auto
5.14.
Bij de opstelling van het van [eiseres] te vorderen bedrag van € 230.944,82 hebben de executeurs een bedrag meegenomen van € 9.500. Daarbij hebben zij verwezen naar de auto die bij zijn overlijden op naam van erflater stond. [eiseres] heeft aangevoerd dat die auto van haar is en alleen op naam van erflater is gezet omdat hij dan een invalide parkeerkaart kon aanvragen. [eiseres] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de auto op enig moment door haar is gekocht en alleen vanwege het verkrijgen van een parkeerkaart op enig moment op naam van erflater is gezet. Dit betekent dat [eiseres] haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft toegelicht. Niet is in geschil dat zij de auto thans in haar bezit heeft. Zij heeft ook niet gezegd dat zij de auto aan de nalatenschap zal teruggeven. Omdat op dit punt geen verweer is gevoerd, staat tussen partijen vast dat de auto op de datum van overlijden van erflater € 9.500 waard was. Gelet op dit een ander moet [eiseres] een bedrag van € 9.500 aan de nalatenschap betalen.
Conclusie ten aanzien van bedrag van € 230.944,82
5.15.
De conclusie luidt dat vanuit de nalatenschap nog een vordering op [eiseres] is van € 50.000 plus € 1.500 plus € 9.500, totaal € 61.000 Er bestaat geen aanspraak op het door [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] verder toegelichte bedrag van € 150.000. Voor het restant (230.944,84 - € 150.000 - € 61.000 zijnde een bedrag) van € 19.944,82 geldt dat [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] niet hebben toegelicht waarom [eiseres] dit bedrag aan de nalatenschap moet terugbetalen. De rechtbank oordeelt daarom dat er ook in zoverre geen vordering op [eiseres] is.
Overige overboekingen voor overlijden
5.16.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben nog een beroep gedaan op verrekening van het legaat met andere bedragen die de nalatenschap in verband met onttrekkingen voor het overlijden van erflater van [eiseres] kan vorderen.
Pinbetalingen in de periode 4 juli tot en met 23 november 2020 van € 7.100
5.17.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben gesteld dat [eiseres] in de periode van 4 juli tot en met 23 november 2020 in totaal € 7.100 van de bankrekening van erflater heeft gepind. Naar de rechtbank begrijpt is dit volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zonder medeweten of instemming van erflater geschied en vormt dit een onverschuldigde betaling of een onrechtmatige daad. [eiseres] heeft dat gemotiveerd betwist, onder meer door aan te voeren dat zij in die periode samen met erflater boodschappen deed en dat voor die boodschappen werd gepind van zijn bankrekening. De rechtbank overweegt dat erflater op zijn bankrekeningafschriften heeft kunnen zien dat deze afschrijvingen werden gedaan en moet worden geacht te hebben kunnen protesteren als deze niet zijn instemming hadden. De conclusie luidt dat gedaagden op dit punt geen vordering hebben op [eiseres] .
Overboekingen aan derden in mei 2020 en op 25 december 2020 van twee maal € 5.000
5.18.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben ook nog gesteld dat [eiseres] in mei 2020 € 5.000 vanaf de bankrekening van erflater heeft overgeboekt op de bankrekening van haar zus, en op 25 december 2020 € 5.000 aan een bekende van [eiseres] onder het motto ‘corona steun’. Mogelijk hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hun vordering op dit punt op onrechtmatige daad willen gronden. De rechtbank overweegt wederom dat erflater deze banktransacties heeft kunnen zien en moet worden geacht daartegen te hebben kunnen protesteren als hij daarmee niet instemde. Voor zover het volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] geldleningen aan de zus en de bekende van [eiseres] zou betreffen, valt niet in te zien waarom [eiseres] gehouden zou zijn tot (terug)betaling van het leenbedrag, in plaats van de leningnemers, dus de zus en de betreffende bekende. Ook in zoverre hebben gedaagden geen vordering op [eiseres] .
Acties na overlijden
€ 600 in contanten
5.19.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben een door [eiseres] op 25 januari 2021 ondertekend document overgelegd waarin is vermeld een bedrag van € 600. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] gezegd dat dat bedrag in contanten in de nalatenschap aanwezig was en dat zij dat heeft meegenomen. Dat mocht van [gedaagde 2] , mits ze de verklaring tekende dat ze het bedrag in ontvangst had genomen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] moest begrijpen dat dit bedrag geen schenking was van de nalatenschap aan haar. Ze had immers al bedragen ontvangen van erflater en kreeg bovendien nog een legaat. Dit betekent dat [eiseres] dit bedrag aan de nalatenschap moet vergoeden.
Gebruiksvergoeding woning Nederland?
5.20.
Tussen partij is niet in geschil dat [eiseres] na het overlijden van erflater nog een aantal maanden in de woning van erflater is blijven wonen. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] vorderen in verband hiermee dat [eiseres] een bedrag aan de nalatenschap betaalt van € 3.000 zijnde een gebruiksvergoeding voor een periode van twee maanden. Dit gedeelte van de vordering wijst de rechtbank af. Op grond van artikel 4:28 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) mag iemand die met de overledene een duurzame gemeenschappelijke huishouding had, gedurende zes maanden na overlijden in de woning blijven wonen. Erflater en [eiseres] waren partners en zij was in ieder geval voor een deel verantwoordelijk voor de mantelzorg voor erflater. [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben nog wel gesteld dat [eiseres] ook nog een eigen woning had, maar ze hebben tegelijk gesteld dat de zoon van [eiseres] in deze woning woonde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan [eiseres] een beroep op artikel 4:28 BW Pro toekomt. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] met [eiseres] zijn overeengekomen dat ze een vergoeding zou betalen voor het gebruik van de woning na het overlijden van erflater. Voor het voortgezet gebruik van twee maanden na overlijden, is zij dan ook geen vergoeding aan de nalatenschap verschuldigd.
Goederen Nederland en Suriname waaronder vrieskist en wasmachine
5.21.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben een door [eiseres] ondertekend document overgelegd met een lijst van goederen die [eiseres] in Nederland uit de nalatenschap heeft meegenomen. Onder meer staan op de lijst een vrieskist (2020), een wasmachine (2020) en Airfryer accessoires (2021). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben gevorderd dat [eiseres] de nieuwwaarde van de vrieskist en de wasmachine aan de nalatenschap betaalt. Zij hebben gevorderd dat [eiseres] de goederen op een door haar op te stellen lijst teruggeeft aan de nalatenschap. In de omstandigheid dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zelf een lijst hebben overgelegd die door [eiseres] is ondertekend, met goederen waarvan de nalatenschap akkoord was dat [eiseres] die meenam, ziet de rechtbank aanleiding om [eiseres] niet te veroordelen de goederen terug te geven, maar om haar te veroordelen de waarde van de door haar meegenomen goederen aan de nalatenschap te vergoeden. Zij moest begrijpen dat deze goederen geen schenking waren van de nalatenschap aan haar.
5.22.
[eiseres] heeft niet weersproken dat de vrieskist, de wasmachine en de Airfryer accessoires zeer recent voor overlijden van erflater zijn aangeschaft. Hierin ziet de rechtbank aanleiding [eiseres] te veroordelen de nieuwwaarde hiervan aan de nalatenschap te vergoeden, zijnde een bedrag van € 1.630 voor de vrieskist, een bedrag van € 549 voor de wasmachine en een bedrag van € 39,95 voor de Airfryer accessoires. Dit laatste volgt uit de door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] overgelegde factuur hiervoor. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom erflater deze duurzame apparaten en accessoires aan het einde van zijn leven nog nodig had of dat hij deze aan haar heeft willen schenken.
5.23.
Voor het overige hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] niet toegelicht welke waarde aan de goederen moet worden toegekend. Ten aanzien van deze goederen is de rechtbank van oordeel dat deze als tweedehands goederen slechts een beperkte waarde hebben. Zij zal [eiseres] veroordelen hiervoor een bedrag van € 200 aan de nalatenschap te betalen.
5.24.
Dit een en ander betekent dat voor de goederen in Nederland, vermeld op de overgelegde lijst, [eiseres] aan de nalatenschap een bedrag verschuldigd is van afgerond € 2.419.
5.25.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben nog gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld een lijst op te stellen van de goederen die zij uit de nalatenschap heeft meegenomen. Voor wat betreft de goederen in Nederland, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiseres] hiertoe te veroordelen. Er is immers al een dergelijke lijst overgelegd.
[gedaagde 3] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 4] hebben nog wel gewezen op goederen in Suriname die ten onrechte in het bezit zouden zijn van [eiseres] . Zij hebben deze vordering echter niet nader toegelicht, terwijl [eiseres] heeft betwist dat zij nog goederen van de nalatenschap onder zich heeft. Hieruit volgt dat [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] op dit punt te weinig hebben gesteld. Dit gedeelte van de vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.
Conclusie inzake acties na overlijden
5.26.
[eiseres] is aan de boedel een bedrag verschuldigd van € 600 en een bedrag van € 2.419, totaal € 3.019.
Conclusie
5.27.
In totaal is [eiseres] een bedrag van € 61.000 plus € 3.019 is € 64.019 aan de nalatenschap verschuldigd. Dit bedrag kunnen gedaagden verrekenen met het aan [eiseres] te betalen bedrag van € 200.000. Na deze verrekening resteert er geen vordering op [eiseres] , zodat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
5.28.
[gedaagde 2] en [gedaagde 4] vorderen de bancaire rente over het door [eiseres] te betalen bedrag vanaf de datum van overlijden van erflater. Zij stellen dat [eiseres] over dit bedrag rente heeft ontvangen, waardoor de nalatenschap minder rente heeft ontvangen. Dit gedeelte van de vordering wijst rechtbank af. [eiseres] wordt geacht het bedrag van € 50.000 onder zich te houden voor erflater. Dit betekent dat zij mogelijk pas rente is verschuldigd als zij, ondanks aanmaning daartoe, dit bedrag niet terugbetaalt aan de nalatenschap. Ook ten aanzien van de andere bedragen geldt dat enige rente pas gaat lopen na aanmaning.
5.29.
[eiseres] vordert de rente over het aan haar te betalen legaat vanaf 22 februari 2022. Bij brief van 8 februari 2022 heeft de advocaat van [eiseres] voor haar het legaat gevorderd en daarbij de wettelijke rente aangezegd vanaf twee weken na dagtekening van de brief. Dit betekent dat gedaagden de wettelijke rente over het bedrag waarop [eiseres] nog recht heeft, verschuldigd zijn vanaf 22 februari 2022. De rechtbank zal deze wettelijke rente toewijzen. De executeurs-testamentair hebben in hun brief van 8 oktober 2023 de rente aangezegd over het door [eiseres] terug te betalen bedrag. Dit is echter na de datum waarop [eiseres] het legaat heeft gevorderd en dit bedrag met het legaat is verrekend.
Proceskosten
5.30.
In de omstandigheid dat partijen allen gerelateerd zijn aan erflater, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
In conventie en in reconventie
6.1.
veroordeelt gedaagden om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 135.891, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2022 tot aan de dag der algehele betaling;
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.