ECLI:NL:RBDHA:2026:6605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
SGR 22/1840 en 23/2743
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:15 AwbArt. 6 EVRMBouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bestuursdwang en dwangsommen wegens onjuiste bezwaarbeoordeling splitsing woning

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag inzake lasten onder dwangsom en bestuursdwang gericht op het ongedaan maken van de bouwkundige splitsing van een woning aan een adres in Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het besluit van 8 februari 2022, waarin de eerste lasten onder dwangsom aan stichtingen werden opgelegd, niet-ontvankelijk is omdat eiser geen bezwaar had gemaakt tegen de oorspronkelijke besluiten van 30 april 2021. De rechtbank stelt dat eiser redelijkerwijs bezwaar had kunnen maken tegen die besluiten.

Ten aanzien van het besluit van 28 februari 2023, waarbij de tweede lasten onder dwangsom en bestuursdwang werden opgelegd, oordeelt de rechtbank dat het college ten onrechte heeft afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van eiser. Het beroep is daarom gegrond en het besluit wordt vernietigd. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de bezwaren na inhoudelijke beoordeling niet kunnen slagen.

Verder wijst de rechtbank het verzoek van eiser om vergoeding van proceskosten in bezwaar af, omdat het besluit niet onrechtmatig is herroepen. Ook wordt het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen. Wel wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het beroep en het griffierecht.

De uitspraak is gedaan door rechter T.A. Oudenaarden op 25 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 22/1840 en 23/2743

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser], in [woonplaats]

(gemachtigde: mr. S.K. Reijke)
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[derde-partij], te [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college waarbij de bezwaren van [stichting] en [derde-partij] ongegrond zijn verklaard. Die bezwaren zagen op de aan hen opgelegde (eerste) lasten onder dwangsom die strekten tot het ongedaan maken van de splitsing van de woning [adres] in [plaats]. Dit beroep heeft zaaknummer SGR 22/1840. Verder gaat deze uitspraak over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 28 februari 2023, waarbij zijn bezwaar ongegrond is verklaard. Dat bezwaar was gericht tegen de aan [stichting] en [derde-partij] opgelegde (tweede) lasten onder dwangsom met dezelfde strekking als de eerste lasten, en daarnaast tegen de lasten onder bestuursdwang die eveneens aan de beide stichtingen zijn opgelegd. Dit beroep heeft zaaknummer SGR 23/2743. Aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd beoordeelt de rechtbank de beide bestreden besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ten aanzien van de eerste lasten onder dwangsom niet-ontvankelijk is. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat het college ten aanzien van de tweede lasten onder dwangsom en de lasten onder bestuursdwang ten onrechte heeft afgezien van een inhoudelijke beoordeling van eisers bezwaren. Om die reden is het beroep in zoverre gegrond en wordt het besluit van 28 februari 2023 vernietigd. Omdat de bezwaren van eiser na inhoudelijke beoordeling niet kunnen slagen, blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit evenwel in stand.

Procesverloop

2. Tijdens een controle op 22 januari 2021 heeft een toezichthouder geconstateerd dat er twee woningen in het pand aan de [adres] aanwezig zijn.
2.1.
Eiser heeft op 31 maart 2021 bij het college een verzoek tot handhaving ingediend. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat de bouwkundige splitsing van het pand [adres] in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en zonder toestemming van de VvE plaats heeft gevonden.
2.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 30 april 2021 heeft het college aan zowel [stichting] als [derde-partij] een last onder dwangsom opgelegd. De lasten onder dwangsom zien op het beëindigen en beëindigd houden van de bouwkundige splitsing van het pand [adres] in [plaats]. Bij besluit van 19 juli 2022 zijn de verbeurde dwangsommen ingevorderd, omdat de splitsing niet ongedaan was gemaakt.
2.3.
Bij afzonderlijke besluiten van 24 mei 2022 heeft het college aan zowel [stichting] als [derde-partij] een tweede last onder dwangsom opgelegd, die ook ziet op het beëindigen en beëindigd houden van de bouwkundige splitsing van het pand.
2.4.
Bij afzonderlijke besluiten van 6 september 2022 heeft het college aan zowel [stichting] als [derde-partij] een last onder bestuursdwang opgelegd. Ook deze lasten zien op het beëindigen en beëindigd houden van de bouwkundige splitsing, door de splitsing terug te brengen naar één zelfstandige woning.
2.5.
Bij besluit van 8 februari 2022 (het bestreden besluit I) heeft het college de bezwaren van de beide stichtingen tegen de op 30 april 2021 opgelegde (eerste) lasten onder dwangsom ongegrond verklaard.
2.6.
Bij besluit van 28 februari 2023 (het bestreden besluit II) heeft het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 24 mei 2022 en 6 september 2022 ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn bezwaren, omdat op 6 december 2022 de overtreding is beëindigd doordat de vereiste herstelmaatregelen op 6 december 2022 zijn getroffen.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gezamenlijk met de beroepen in de zaken met zaaknummers SGR 22/1841, 22/1845, 22/1864, 22/6697, 22/6851 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam].

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen de besluiten van 8 februari 2022 (SGR 22/1840)
3. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 30 april 2021, waarbij aan de beide stichtingen elk een last onder dwangsom is opgelegd. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank moet daarom beoordelen of eiser redelijkerwijs kan worden verweten dat hij tegen de besluiten van 30 april 2021 geen bezwaar heeft gemaakt.
3.1.
Eiser voert aan dat in de besluiten van 30 april 2021 werd vermeld dat de overtreding kan worden beëindigd door de situatie te herstellen naar de laatst vergunde situatie. Eiser was in de veronderstelling dat hiermee aan zijn wens tegemoet gekomen was, maar bij het besluit op bezwaar van 8 februari 2022 bleek volgens hem dat het college onder de ‘laatst vergunde situatie’ iets anders begreep dan eiser. In dat besluit wordt namelijk verwezen naar een tekening die volgens eiser een eerdere feitelijke situatie weergeeft, maar niet de daadwerkelijk laatst vergunde situatie. Omdat dat pas duidelijk werd bij het besluit op bezwaar, kon eiser op dat moment alleen nog beroep instellen.
3.2.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. In de besluiten van 30 april 2021 wordt de last als volgt omschreven:

U kunt de overtreding beëindigen door de bouwkundige splitsing van het pand ongedaan te maken en de situatie te herstellen naar de laatste vergunde situatie,te weten één woning.” [onderstreping rechtbank]
De rechtbank is van oordeel dat eiser hieruit had kunnen afleiden dat de strekking van de last in de kern was dat de situatie waarbij sprake was van twee woningen moest worden teruggebracht naar een situatie waarbij sprake was van één woning. De woorden ‘te weten’ moeten hier worden gelezen als een nadere bepaling van wat het college beschouwt als de ‘laatste vergunde situatie’. Ook uit de rest van de besluiten van 30 april 2021 volgt dat het in stand laten van de splitsing in twee woningen als de overtreding werd beschouwd die ongedaan moest worden gemaakt, waarbij in de rede ligt dat dat moet gebeuren door terugbrengen naar een situatie met één woning. Voor zover eiser een specifieke nadere invulling voor ogen had van de wijze van ongedaanmaking van de splitsing – aan de hand van de indeling die naar zijn idee als de laatste vergunde situatie moest worden aangemerkt – had het op zijn weg gelegen bezwaar te maken tegen de besluiten van 30 april 2021, en daarbij naar voren te brengen dat de door hem gewenste nadere invulling van de last ontbrak. Nu hij dat niet heeft gedaan volgt uit artikel 6:13 van Pro de Awb dat zijn beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.3.
Overigens kan noch uit de situatieschets van de voormalige huurder, noch uit de in het kadaster ingeschreven tekeningen die eiser heeft overgelegd worden afgeleid dat zij op de oorspronkelijke vergunde situatie zien. Een oorspronkelijke bouwvergunning is niet overgelegd. Daarmee is dus ook niet vast te stellen in hoeverre de situatie zoals die is na voldoening aan de (uiteindelijk) opgelegde last afwijkt van de situatie zoals die op enig moment in het verleden is vergund.
3.4.
Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 8 februari 2022 niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het besluit van 28 februari 2023 (SGR 23/2743)
4. Eiser betoogt dat hij, anders dan het college in het bestreden besluit heeft aangenomen, nog belang had bij de beoordeling van zijn bezwaar. Eiser voert aan dat in de lasten onder bestuursdwang en de tweede lasten onder dwangsom had moeten worden opgenomen dat de situatie in het pand moet worden teruggebracht naar de laatst vergunde situatie. In de eerste lasten onder dwangsom is dit wel opgenomen. De herstelwerkzaamheden hebben weliswaar plaatsgevonden, maar daarmee is niet de laatst vergunde situatie gerealiseerd zoals kenbaar uit de kadastertekening na oprichting van de VvE. Daarom is volgens eiser nog steeds sprake van een overtreding.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen belang had bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren. De overtreding is inmiddels beëindigd, omdat de aannemer ter voldoening aan de last onder bestuursdwang een keuken, toilet en douche heeft verwijderd zodat er één zelfstandige woning resteert.
4.2.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. [1]
4.3.
De rechtbank overweegt dat eiser, anders dan het college meent, belang had bij de beoordeling van zijn bezwaar. Zijn betoog is immers dat de tweede last onder dwangsom en de last onder bestuursdwang die aan de stichtingen zijn opgelegd niet verstrekkend genoeg waren, doordat de specificatie ontbrak dat herstel moest plaatsvinden in de laatst vergunde situatie, die volgens eiser een specifieke indeling van de woning omvatte. Als dat betoog zou slagen zou dat betekenen dat een last met een andere, verstrekkender inhoud zou worden opgelegd. Dat er inmiddels dwangsommen waren verbeurd en ingevorderd brengt daarin geen verandering. Het college heeft daarom in het bestreden besluit ten onrechte afgezien van inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van eiser. Om die reden is het beroep gegrond, en moet het bestreden besluit worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.4.
In beroep heeft het college zich echter terecht op het standpunt gesteld dat de lasten niet kunnen strekken tot herstel van de situatie volgens de door eiser overgelegde tekening bij de splitsingsakte, omdat volgens die tekening geen badkamer aanwezig was en herstel van die situatie dus in strijd zou komen met het Bouwbesluit 2012. Het college heeft verder terecht het standpunt ingenomen dat de lasten niet kunnen strekken tot het voorschrijven van de door eiser gewenste indeling van de woning, omdat het daarbij om een vergunningsvrije activiteit gaat.
4.5.
Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat de lasten ook betrekking hadden moeten hebben op verwijdering van (een deel van) een brandscheidende wand die bij de splitsing in de buitengevel is aangebracht. Doordat die wand is aangebracht op de plaats waar een deur zat is er minder lichttoetreding. Bovendien zal de VvE waar eiser lid van is geconfronteerd worden met kosten als het college in de toekomst zou eisen dat de wand alsnog wordt verwijderd en de deur wordt hersteld. Dit betoog kan niet leiden tot het door eiser gewenste resultaat, omdat het belang van lichttoetreding in het appartement naast het zijne geen belang is waarvoor hij in rechte op kan komen, en omdat het Bouwbesluit 2012 en de Wabo niet strekken tot bescherming van de financiële belangen van eiser of de VvE. Het college heeft overigens ter zitting uitdrukkelijk verklaard af te zien van eventuele handhaving ten aanzien van de brandwerende wand.
4.6.
Gezien het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
5. Eiser betoogt dat hij recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar. Eiser voert aan dat het niet opnemen in de besluiten tot het opleggen van de tweede lasten onder dwangsom en de lasten onder bestuursdwang dat herstel moet plaatsvinden naar de laatst vergunde situatie met zich meebrengt dat deze besluiten onrechtmatig zijn.
5.1.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft afgezien van het toekennen aan eiser van een vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar, omdat de besluiten van 24 mei 2022 en 6 september 2022 niet zijn herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsom wegens niet tijdig beslissen
6. Eiser stelt dat het college ten onrechte geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het opleggen van de lasten onder bestuursdwang heeft toegekend. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 28 september 2022. Na een verdaging van de beslistermijn had uiterlijk 6 februari 2023 een beslissing genomen moeten worden op het bezwaarschrift. De bestreden besluiten zijn op 28 februari 2023 genomen.
6.1.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat voor de lasten onder bestuursdwang de termijn om te beslissen verstreek op 21 februari 2023, gelet op het feit dat het bezwaarschrift is ingediend op 28 september 2022. De ingebrekestelling is op 13 februari 2023, vóór 21 februari 2023, en dus prematuur ingediend en daarom is geen dwangsom verbeurd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
7. Eiser heeft in de zaken met zaaknummer SGR 22/1840, 22/1841, 22/1845, 22/1864 en 23/2743 om schadevergoeding verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
7.1.
De rechtbank constateert dat bij de behandeling van deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Omdat alle zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zal de schadevergoeding voor die overschrijding één maal worden toegekend, en wel in de zaak met nummer SGR 22/1845.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gezien wat hiervoor werd overwogen gegrond en het besluit van 28 februari 2023 moet worden vernietigd. De rechtbank zal echter, gelet op wat hiervoor onder 4.4 en verder werd overwogen, de rechtsgevolgen van dat besluit, dus de ongegrondverklaring van de bezwaren van eiser, geheel in stand laten.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is zal het college worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen die kosten € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook moet het college eiser het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, gegrond;
  • vernietigt dat besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-;
  • bepaalt dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3003.