Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 30 juni 2025 ontvangen, met een beslistermijn van zes maanden. De minister heeft niet binnen deze termijn beslist, ondanks een tijdige ingebrekestelling door eiser op 20 januari 2026.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag overschrijding.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het beroep. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya op 20 maart 2026.